Posted by: Quirijn | April 22, 2008

Op weg naar het einde

Wat gaat de tijd toch ongelooflijk snel! Ik zit inmiddels al een dikke twee maanden in Nieuw-Zeeland en ben zelfs al twee weken langer dan dat van huis. Morgen verlaat ik dit land alweer en begint er een totaal nieuwe reis voor mij! Nieuwe vrienden, nieuw gebied en een nieuwe cultuur om op te snuiven. Ik ben er de laatste week behoorlijk mee bezig geweest, zoveel zelfs dat ik bijna zou vergeten dat ik nog lang niet alles had gezien in Nieuw-Zeeland! 

Het weer is inmiddels wat opgeknapt, maar wat is het de laatste week tekeer gegaan! Het begon met mijn lift van Rotorua naar Coromendel. De zon stond al hoog aan de lucht toen ik mijn eerste lift pakten om weg te komen uit Rotorua, het stinkende stadje. Hoewel het stonk had ik over het weer niets te klagen: 22 graden met een wolkenloze lucht. Super! En toen was het liften geblazen. Coromendel ligt een dikke vijf uur rijden (als je met je eigen auto komt) van Rotorua vandaan en ligt op de zelfde hoogte als Auckland, maar op een heel ander uitsteksel van het Noordereiland. Het staat bekent om zijn laid-back, voornamelijk gecreeerd door de destijdse hippies. Mooie stranden, mooie natuur, grote bomen en inderdaad: erg relaxt. Op het moment dat ik uitgeput van al het liften aankwam - het was inmiddels al donker – begon het te regenen. Alle zon die mij hele dag had gekieteld spoelden er in een keer weer vanaf. Een ding dat ik van al mijn zomervakanties wel heb geleerd is dat je met regen er vooral er uit moet gaan en gewoon iets moet gaan doen: de regen valt dan heus wel mee. Ik besloot de eerste dag een mountainbike te huren en de omgeving te verkennen. Het mieserde zo af en toe, maar dat was verder geen probleem. Op deze manier heb ik dit unieke stukje landtong beter leren kennen. De schitterende kust die word afgeschermd door alle eilandjes en het binnenland met zijn watervallen en Kauri bomen. Kauri bomen zijn de reuzen van het bos. Werkelijk reusachtig hoe zij overal bovenuit steken! Ik ben ze overigens nog steeds dankbaar voor de beschutting die ze mij gaven toen er een klein donderkopje zijn regen plosteling los liet. Die regen die vanaf toen begon te vallen is een regen waar niet tegen op te boksen is. Met bakken komt het uit de hemel en het spoelt alles op zijn pad weg. Ik ben nog een extra nacht gebleven in Coromendel in de hoop dat ik ook nog de Hot Water Beaches zou kunnen bezoeken, maar uiteindelijk heb ik eieren voor mijn geld gekozen en ben ik naar Auckland vertrokken.

Mijn roem reist blijkbaar sneller dan ik zelf, want in Auckland werd ik hartelijk ontvangen door twee meisjes die werkelijk alles van mij afwisten! Het waren twee Israeliers en ze hadden een tijdje met een deel van mijn oude groep gereisd (de nieuwste roddels werden heerlijk doorgegeven) en ze waren zelfs Sam en Jur tegengekomen, die – zo vertelde de meiden – nog steeds op blikjes Ravioli leven. Geweldig om zo weer van alles te horen! De wegen van de meisjes scheidde zich echter en ik bleef gezellig met een van hun achter waar ik de rest van mijn tijd in de stad mee op ben blijven trekken; toch wel leuk als iemand je de stad kan laten zien! In Auckland is echter niet veel te doen. De Sky-tower is tof, maar die ken je na de eerste keer gezien te hebben ook wel weer en de winkelstraat bestaat voornamelijk uit McDonalds en BurgerKing. Mijn hostel was echter wel avontuurlijk met de meest vreemde Engelsmannen die ik ooit heb gezien. En daar speelde zich mijn leven zich dan ook voornamelijk af: in de woonkamer van het hostel, hoewel ik van daaruit nog wel met verschillende personen wat uitstapjes heb gemaakt. Ik ben MtEden opgeklommen, een van de vele vulkanen van Auckland die je een werkelijkwaar fantastisch uitzicht geeft. Ik ben naar een strand gereden waar de kust een gigantische grot bezit (geen idee meer wat de naam is). En ik ben naar de univeristeit van Auckland gegaan en heb daar leren klimmen op een klimmuur. Vooral dat klimmen was heel erg tof! Onthou even voor mij dat ik dit vaker wil gaan doen.

Toen het weer zich enigszins weer van zijn betere kant liet zien heb ik uiteindelijk gedaan waar ik een tijdlang over heb zitten dubben: ik ben het Northland gaan verkennen, het land ten noorden van Auckland. Met een bus ben ik – notebene op Pesach - helemaal naar Paihia gereden. Paihia is een leuk klein plaatsje dat voornamelijk de toegangspoort is voor Cape Reinga: het noordelijkste puntje van Nieuw-Zeeland. Ik heb dit andere uithoekje van het land echter links laten liggen al was het maar om de vreselijke pijnen die mijn portomonnaie anders zou uitstaan. Het werd dus voornamelijk strandwandelingen maken, arstieke foto’s proberen te maken en kaarten met de Duitsers in mijn hostel (mijn Duits is weer iets minder slecht). Maar wat mijn hele tocht hierheen al waard maakten was mijn lift op mijn terugweg die mij uitnodigde voor de lunch. Het was een Maori vrouw die mij vertelde dat ze op school les gaf in Maorisch, de oorspronkelijke taal van de Maori. Bij haar thuis heb ik, onder het genot van een lunch die bestond uit alle soorten heerlijke cake, eindelijk wat leren spreken. De kinderen vonden het geweldig om mij tot tien te leren tellen en ik verliet het huis niet voordat ik 3 lijstjes met handig woorden in het Maorisch mee had genomen. Geweldig hoe vriendelijk de mensen waren!

De Bananencake waarvan ik bij het Maori gezin had gesmult, heb ik uiteindelijk leren maken terug in Auckland. Ik logeer hier nu bij Susan Bierre en haar twee zoontjes Adam en Rami. Rami zat bij mijn vader op school en zo kwamen we in contact. Heel erg aardig hoe ik hier nu voor een aantal dagen deel van het gezin mocht zijn en eindelijk weer onbeperkt het internet kon gebruiken! Het is een mooi ruim huis in een van de luxere wijken van Auckland en Susan en de jongens hebben mij een heel andere kant van Auckland laten zien: de kant van het vrije vakantie gevoel dat je krijgt als je van je werk komt en vanuit je huis bijna het strand kan zien. Palmbomen overal en zelfs als het regent is het warm. Vandaag ben ik met hun naar het Nationale museum geweest en ik eindelijk de Mao gezien! Een opgezette Moa dan, want de Moa vogel die maar liefst 3 meter hoog kon worden is inmiddels uitgestorven (gelukkig). En dan zit mijn reis door Nieuw-Zeeland er alweer bijna op. Mijn laatste tijd voelde als een weg naar het einde van mijn reis, maar is eigenlijk pas het begin! Gelukkig heb ik dat op tijd gerealiseerd en heb ik nog even van een paar hele mooie (wel natte) stukjes Nieuw-Zeeland mogen genieten. En het is ook wel erg lekker om dit alles af te sluiten bij mensen die gewoon Nederlands praten. Super tijd! Ik ben erg benieuwd wat ik allemaal nog mee ga maken. Al twee en een halve maand van huis… Wat is dat lang zeg, maar wat gaat het snel!

P.S.: De opa van de twee jongens (vader van Susan) woont hier naast en is zijn hele leven Architect geweest. Auckland staat vol met gebouwen van zijn ontwerp! Ik word hier nog enthausiast…

 

Posted by: Quirijn | April 11, 2008

Alle tijd is nu

Jur en ikIk heb het geweldig naar m’n zin. Wat een leventje is dit! Gister de hele dag niets gedaan. Gewoon omdat het kon, en ik moest bovendien mijn was even doen. En dan lekker in de zon zitten – in Rotorua is het nu 20 graden Celcius – een boekje lezen, sandwiches eten en naar muziek luisteren. Misschien lui, maar ik had het echt even nodig na mijn dagen daarvoor.

Met het liften vanuit Whanganui eindigde ik uiteindelijk bij een Canadees in de auto die iets te veel peper in z’n kont had. Stil zitten was voor hem gewoon geen optie, wat voor mij weer erg handig was omdat hij ook naar de ‘places to be’ wilde in deze area. En de trekpleister in deze omgeving is absoluut de Tongariro Crossing. Mount DoomEen track van 8 uur tussen twee vulkanen door. Zegt je niets? Er waren daar drie vulkanen en de hoogste wordt in de film Lord of the Rings als Mount Doom gebruikt. Kan je vast wel vinden op het internet welke dat is. Leuk dus dat deze Canadees mij daar heen kon rijden, maar wat was deze vent ongelooflijk hyper! Vanaf het begon van de track stoof ie weg en ik – toch wel opgelucht om even van hem verlost te zijn – heb die dag met een andere Nederlander en een (idioote maar wel erg toffe) Chinees gelopen. Was erg tof! Helemaal boven op de top kon je nog geen vijf meter ver zien, maar dat had ook wel weer z’n absurde charme; het leek net alsof je op het strand liep. Gelukkig zaggen we meer na een honderd meter gedaald te zijn.

Ik reed verder met de Canadees naar Taupo en ook de volgende dag stapte ik bij hem in de auto op weg naar Rotorua. Bij Te Tuia – probeer maar eens uit te spreken – maakte we een stop. Het middeland van het Noordereiland (Middle-earth?) kenmerkt zich vooral door vulkanische activiteit en de duidelijke aanwezigheid van de Maori. Te Tuia heeft beide. Het is een soort van ‘atractiepark’ waar je voor veel te veel geld meer kan leren over de Maori-cultuur. Zo kan je een Maori dorp bezoeken zoals ze dat vroeger kende en maak je de traditionele krijgersdans mee: de Haka. Wat echter veel vetter is, was de thermale activiteit in de bodem die ze hier hebben. Tussen de vulkanen rook je al iets van rotte eieren, maar hier was de lucht helemaal niet te harden! Samen met de Canadees heb ik pruttelende modderpoelen, gifgroene waterplassen en een uitbarstende gyser bewonderd. De gyser was ook wel de kers op de taart. Wat gaat zo’n ding hoog! Later die dag heb ik me af laten zetten door de Canadees in Rotorua waarna hij weer verder reed. Pfff, eindelijk van hem verlost.

Rotorua staat ook wel bekent als het stinkende stadje en gelijk hebben ze. Want het stinkt hier. Gek genoeg went de geur van rotte eieren erg snel en begin je de omgeving te bewonderen. Overal hier in het dorp/stadje zijn modderpoelen en dampende waterplassen. Ik heb volgens mij nog nooit zoveel foto’s genomen op een dag! Ook erg leuk was trouwens dat ik later op de dag Jurriaan – of Jack/Julian/Johnny zoals hij nu door het leven gaat – ontmoette! Ik staptte net mijn hostel uit en hij staptte net een auto in. Leuk om elkaar zo plosteling weer tegen het lijf te lopen! Ik heb hem ’s avonds maar een beetje van mijn Curry gegeven, want die jongen leeft enkel maar van pasta uit blik. Daarna nog lekker met hem en twee andere gekaart en gedobbeld en de volgende dag heb ik weer afscheid van hem genomen. Nog een krappe twee weken heb ik voor de rest van het Noordereiland, maar ik heb zo veel dingen gehoort die ik zeker moet gaan bezoeken dat ik er duizelig van word! In ieder geval nog genoeg te doen dus. Tot de volgende!

Posted by: Quirijn | April 4, 2008

Avontuurlijke niksweter

Het begon al bij de douane op het vliegveld van Christchurch dat ik met mijn neus op de feiten werd gedrukt: ik weet helemaal niets van dit land. Het waren een beschamende 20 minuten dat ik aan de douane medewerker toe moest geven dat ik: geen reisgids bij me had, geen idee waar ik als eerste naar toe zou gaan en met plaatsnamen niet verder kwam dan Auckland. En toch…

En toch kom ik overal. Vooral de laatste tijd – de tijd dat ik alleen op pad ben en lift – reis ik op verhalen van anderen. Ik spreek met mensen die veel meer van het land afweten dan ik en ze vertellen me over plekken waar te gaan. En dus ga ik naar deze plekken, waar ik vervolgens weer over mijn nieuwe bestemming hoor. Ultieme vrijheid?

Wellington zelf is natuurlijk niet te missen. Maar waar te gaan in deze, plosteling grote stad? Ik doe wat ik al die tijd daarvoor heb gedaan: ik pak mijn dagrugzak en begin te lopen richting het centrum. Wees vooral niet bang om mensen aan te spreken! Nadat de mensen een foto voor me hebben gemaakt – erg handig truckje om gesprek te beginnen – vertellen ze me dat ik vooral naar de regeringsgebouwen moet gaan! Vlak voor de ‘Honinggraad’ (erg bekent Architectisch hoogstandje) raak ik opnieuw aan de praat en kom ik te weten dat er elk uur een gratis rondleiding in de gebouwen is. Eropaf dan maar! Tijdens de rondleiding kom ik wat meer te weten over het poltieke systeem hier: bijna gelijk aan het Engelse systeem. Helaas wordt het uur niet gehaald, omdat na 45 minuten het ‘vragenuurtje’ begint en een deel van het gebouw afgesloten wordt. Geluk bij ongeluk: ik mag de discussies bijwonen! En dus zit ik anderhalf uur op de tribune boven de ‘ tweede kamer’ (heet hier natuurlijk anders) en maak ik het hele schouwspel mee; ik leer de namen kennen van de Ministers en hoor ze ‘boe!’ roepen, lachen en af en toe stil vallen door dat de ‘Speaker’ keihard: ‘orde!’  krijst. De volgende dag lees ik in de krant waar Minister Peters het daadwerkelijk over had, want echt meegaan in de discussies was onmogelijk.

En nu zit ik in Wanganui, een uurtje of twee van Wellington. Ik had iets dichterbij Wellington willen blijven maar in Palmerston North waren alle Backpackers bezet door de locale vollyballers. Dus moest ik noodgedwongen om half 7 nog beginnen met liften. Ik zit nu in een erg leuk hostel met vriendelijke mensen, maar zoals altijd heb ik geen flauw idee wat hier te doen is. Ik pak mijn dagrugzak en begin maar weer te lopen naar het centrum. Vlak voor het centrum moet ik noodgedwongen mijn pas inhouden door twee vrouwen die midden op de stoep aan het beppen zijn. Ik kijk naar rechts en voel mijn geluk weer opborrelen: een Architectenbureau. Ik twijfel… Maar uiteindelijk loop ik het kantoor in. De baas is er niet, maar de jonge Architecten die hier ook werken zijn aardig en we praten een tijdje. Ik verlaat het kantoor uiteindelijk met het telefoon nummer en de uitnoding om vooral te bellen als de baas er weer is. Net maar even gebeld dus en er blijkt hier morgenavond een bijeenkomst te zijn van locale Architecten: of ik zin heb om mee te gaan? Dat voor morgen dus alvast!

Zonder reisgids red ik me dus prima en ik rol van het ene avontuur in het andere, puur omdat ik niets verwacht en mensen aanspreek (omdat ik nu eenmaal niet weet hoe ik in het centrum kom). Ik leer ondertussen New-Zealand aardig goed kennen, maar waar ik vooral van geniet is het constante avontuur. Op het moment geniet ik met volle teugen van dit vrije bestaan en zo meteen ga ik genieten van mijn zelfgemaakte frietjes! Groetjes!

Posted by: Quirijn | March 30, 2008

Vrijheid blijheid

Wat een land, wat een leven, wat een vrijheid! Maarliefst een maand heb ik met een – elke dag groeiende – groep Israeliers meegereisd. Ik spreek nu vloeiend Hebreeuws (kan het zelfs lezen) en ik heb geweldige dingen gezien, gedaan en meegemaakt. Maar… Wat snakte ik soms naar een momentje voor mezelf!

Ik heb inmiddels de groep verlaten en reis nu op mezelf. Wat een bevrijdend gevoel geeft dat! Na de Routeburn-track (waar we ook nog de Cables-track aan vast hadden geplakt), nam ik de beslissing: duim omhoog en mijn eigen weg zoeken en vinden. Een echt moment van afscheid was er niet, daar de meeste van de groep op de laatste dag een andere route hadden genomen; hierdoor misten ze de bus, de ferry en – zoals ik later vernam via Facebook – moesten ze gered worden door een helicopter! Een avontuur waarvan ik blij ben het gemist te hebben…

Op het moment van schrijven zit ik in Picton, helemaal in het noorden van het Zuidereiland. In ongeveer een dag of 4 ben ik de afstand van maarliefst 600 (?) kilometer gelift, waar ik ondertussen een vrije dag heb genomen in Global Village; een hostel in Greymouth dat te tof was om snel weer weg te gaan (ik geloof dat Sam daar nu ook zit). Het liften is een ervaring op zich. Meestal was het rijden een noodzakelijk kwaad, maar nu is het een avontuur! Ten eerste omdat je natuurlijk nooit zeker bent of je wel op je eindbestemming terecht komt en ten tweede omdat je nooit weet wat voor een persoon achter het stuur zit. Tot nu toe niets dan hele aardige, vriendelijke mensen die vol met verhalen zitten!

Zo reisde ik met een wat oudere vrouw en haar moeder van Wanaka naar Haast Beach; ik werd vol gestopt met koekjes en snoepjes en werd uiteindelijk uitgenodigd om bij de mensen te komen overnachten mocht ik in de buurt van Auckland komen (dan kon ik gelijk de verjaardag van het omaatje meevieren die over twee weken 80 wordt!). Mijn lift daarvoor was een busje met 3 Engelse gasten van mijn leeftijd. Nadat de bestuurder een verkeerde weg was ingeslagen en moest stoppen, wilde het hele busje niet meer starten! Aardig als ik was heb ik de jongens maar even helpen duwen… Gister stoptte een andere local nadat ik een uur in de regen met mijn duim omhoog had gestaan (dat hoort er ook bij) die me – na mij 100 kilometer verder weer afgezet te hebben – bier meegaf. “You choose a bad day to hitchhike, mate” Oftewel: die twee biertjes had ik wel verdient. En dan de Duitser, die in een keer van Queenstown naar Christchurch reed via Greymouth (ontzettende omweg!) en waar ik de hele rit mee heb gelachen en heb gesproken over het reizen en het zover weg zijn van je huis en dierbaren. Mijn mond viel echter open toen ik een van de Israeliers weer tegen kwam; ik hoopte op een lift van Greymouth naar Nelson (5 uur rijden!) en de eerste die stoptte was hij. Erg leuk om hem weer te zien, hoewel ik wel een beklemt gevoel kreeg. Hij zette me de dag daarop zelfs keurig af in het Abel Tasman park – waar ik de Great Walk van 3 dagen heb gelopen – en we namen weer afscheid. Vreemd hoe ik me daarna weer helemaal vrij voelde.

Nu geniet ik vooral van mijn vrijheid en probeer wat meer rust te nemen. Lekker experimenteren met koken bijvoorbeeld! Gister de meest geweldige Hutspot gemaakt, na de dag daarvoor een iets minder geslaagde Curry te hebben gegeten. Morgen vertrekt mijn ferry om twee uur in de middag naar het Noordereiland trouwens. Ik heb nog iets meer dan drie weken op het Noordereiland en ik ben benieuwd wat ik tegen kom en welke gerechten ik nog meer leer koken (mijn kipschnitzels zijn trouwens meesterlijk!). Cheers!

P.S.: Ik zal op de eerst volgende locatie waar het mogelijk is weer even wat foto’s uploaden. Vooral de foto’s van mijn tracks wil je niet missen! De Routeburn-track bracht me bij de beste uitzichten en de Abel Tasman track was niets dan tropische zandstranden en palmbomen!

Posted by: Quirijn | March 24, 2008

Nevis Bungy-Jump

Nooit gewild, nooit durven dromen het te durven en nooit naar uitgekeken. Bungy-jumpen? Gatsieverdrievies! Dat ga ik echt helemaal nooit doen! Alleen het idee al om vrijwillig een ravijn in te duiken… Queenstown schreeuwt echter nog veel harder: doen, doen, DOEN!!

Mijn geest blijkt zwak, want op het moment van schrijven zit mijn jump er alweer op. Ik heb gebungy-jumped! Ik heb gebungy-jumped. Queenstown is echt het stadje waar je wel bungy-jump’t, of het van je rest van je leven niet doet. Je hebt vrijgeteld vier keuzes hier: 43 meter, 47 meter, niet bungy-jumpen of… de Nevis Bungy van maarliefst 134 meter! De Nevis is de een na hoogste van de hele wereld; alleen in Zuid-Afrika is nog een hogere. En als ik het dan toch doe, als ik er dan toch veel geld voor betaal, dan maar de beste!

Bungy-jumpen is eigenlijk alles wat er van verwacht: doodeng! Maar daarnaast krijg je er zo’n ongelooflijke kick van, zo’n ongelooflijke boost van leven dat ik het niet had willen missen. Ik had de jump twee dagen van te voren geboekt en voelde zo de spanning in mijn buik in de twee dagen steeds meer toe nemen. Je verzameld bij het Informatie-centrum en ontmoet daar alle andere die om de zelfde tijd gaan springen. De spanning neemt nog een beetje toe… Met de bus rijd je met de hele groep naar de kloof. Ondertussen maak je elkaar bang met de verhalen van wat er kan gebeuren. Je voelt de spanning in je buik, maar ik had alles nog behoorlijk onder controle. Gewoon springen er kan toch niets gebeuren. Als je voor het eerst de kloof ziet met de kabels die er over heen zijn gespannen en het platform dat in het midden hangt, maakt je buik een sprongetje, maar alles is nog steeds leuk. Alsof je ergens nog denkt dat het een grap is. Als je echter (na met een kabelbaankarretje naar het midden te zijn vervoert) naar voren wordt geroepen, je moet gaan zitten en je voeten bij elkaar worden gebonden aan het elastiek… Shit! Ik kan nu echt niet meer terug! Maar nog steeds houd ik me goed. Het is echter het moment dat je op het plankje gaat staan en de man achter je af begint te tellen dat je wakker wordt. Ik kijk naar beneden en zie een diepte van 150 meter voor me. Ik heb maar drie seconden om het tot me door te laten dringen, want dan moet je springen.

Ik raak in een soort van paniek, zie enkel nog maar de ongelooflijke diepte. Je hebt met jezelf afsproken gewoon te springen als de man klaar is met aftelllen, maar wat wil ik graag terug! Ik weet dat ik het gewoon moet doen. Bij ‘1′, twijfel ik om gewoon te zeggen: bekijk het maar. Voor dat ik het weet ben ik echter gesprongen, met de eerste twee seconden in totale paniek. Ik wil dit niettt!!

Langzaam dringt de situatie tot je door en verandert de dodensprong in een ervaring van vliegen en genieten. Verdoofd door alle adrenaline maak ik de eerste bung niet echt bewust mee, maar ik schreeuw m’n longen uit mijn lijf op het moment dat ik voor mijn tweede bung naar beneden val. Ik leef! Wat vet! Woeahhhh!!! YES!!! WOEAHA!!!!

Bungy-jumpen had ik nooit verwacht te doen en dus wist ik ook niet wat ik er van had verwacht. Het gevoel dat het me echter gaf en nog steeds geeft is een van de beste gevoelens ik ooit heb gehad. Alsof je wakker wordt geschud en je het leven opeens veel meer waardeert. Geweldig! Ik ga het waarschijnlijk nooit meer doen, maar wat is dit ongelooflijk gaaf!

P.S.: Je krijgt na het jumpen trouwens een gratis t-shirt met daarop in een wat hip gekrabbel dat je de ‘Nevis’ hebt gejump’t. Hier is het natuurlijk allemaal om te doen!

Posted by: Quirijn | March 18, 2008

BurgerKing, Tim-tam en Kiwis

We spreken 5 maart als ik samen met vier Israelische vrienden de ferry neem naar Stewart Island. Stewart Island telt slechts een dorpje, wat het woord dorpje nog geeneens mag dragen. Er is geen bank, afval word elke week naar het vaste land gebracht en het weer… verandert elke minuut. Ik ben hier om in 10 dagen maar liefst 126 kilometer te overbruggen!

Een tocht van tien dagen betekent eten sjouwen voor tien dagen. Of liever gezegd: eten voor elf dagen want je wil absoluut niet zonder eten komen te zitten. Ik vertelde jullie eerder dat de tocht die ik ging doen – North-West-Circuit – een tocht is van acht tot tien dagen, maar vergeet het maar. Hoewel een jongeman ons vertelde dat hij de klus in zes dagen had geklaart (denk aan hele dikke kuiten en verdubbel ze dan), is het absoluut geen eitje en minimaal een tocht van elf dagen als je door bikkelt. Maar goed, ons was verteld dat je het in tien dagen kon doen, dus wilde wij hem ook in tien dagen doen. Dat dit betekende dat we zelfs ’s nachts moesten lopen en maar liefst 29 kilometer op een dag (afstand zegt echter niet zoveel aangezien 1 kilometer berg op, berg af veel zwaarder is): tja, het zij zo.

De eerste dag volgt de track dezefde weg als de ‘Great Walk’ van 3 dagen. Hier in New-Zealand heb je behoorlijk wat Great Walks; een soort van garantie voor een mooi uitzicht en een goedbegaanbare weg. Vooral het laatste is erg prettig zo bleek later! Dus liepen we de eerste dag lekker met z’n vijfen, te weten dat hierna de groep zich zou splitsen in een groep van twee die de Great Walk route zouden nemen en een groep van drie (inclusief mijzelf) die voor de volle tien dagen gingen. En dan is het lopen geblazen!

Aan het einde van de eerste dag komen we uitgeput aan bij de eerste hut. Wat een tocht was dit al! Natuurlijk is de eerste dag behoorlijk zwaar omdat je nog het volle gewicht van je bagage meesjouwt en je nog behoorlijk moet wennen aan het constante lopen. Voordeel echter is dat je na het eten al behoorlijk wat minder gewicht op je schouders hebt! Waren wij dus maar nooit de jagers tegen gekomen die naast ons kampeerden… We kunnen de hut al zien liggen als we het laatste hellinkje afrennen en op een open plek terecht komen. Rechts van ons loopt het gras over in strand en een kalme zee, links van ons is een oorverdovend kabaal van mensen die het over duidelijk naar hun zin hebben. Er staan wat tenten met daar omheen een flinke lading spullen uitgestalt en iets verder vinden we een hut waar een geur van verse vis en gebakken vlees vandaan komt. Midden in het kamp zitten een groep mannen in een cirkel bier te drinken. ‘Oi mate!’ De jagers kijken om, zien ons staan, lachen wat en binnen de korste keren sta ik te praten met de jagers met bier in mijn handen. Niet veel later probeer ik Paoa (een schelpdier die voor 100 bucks per kilo wordt verkocht), Mottenbird (een vogel die niet te eten is) en gerookte vis, waarvan de naam niet te verstaan was door het wilde accent van de man die het ons vertelde. Oja! Ook nog een verse Oester geprobeert, maar een schep zeewater in je mond smaakt beter… Jak! Met wat hevig ja-geknik en gelach – ook al verstond je het meeste er niet van – bracht de mannen uiteindelijk tot het uitnodigen van ons voor het dinner. Dus na een verzadigde buik en een flinke lading bier achter de kiezen keerden we uiteindelijk laat in de nacht terug naar onze hut, om de volgende dag onze tassen niets lichter terug te vinden… Maar een ervaring was het zeker!

De tweede dag werd al gauw duidelijk waar we aanbegonnen waren toen we van de Great Walk afweken. We liepen nu met z’n drieen en de weg was nu geen weg meer, maar een zoektocht naar tekens voor de route, een modderbad in plaatst een brug over de plassen en een wandeling van bergje-op tot bergje-af. Kapot kwamen we aan bij de tweede hut van onze reis en hoewel niemand het hard op durfde te zeggen dachten we allemaal het zelfde: tien dagen? Tien dagen?! Overigens werden we ook hier hartelijk onthaald door een groep jagers die ons onmiddelijk van koud bier voorzagen en er voor zorgde dat onze tassen voor de tweedemaal het zelfde gewicht behielden. Mijn tas was weliswaar zwaar (gok toch zeker zo’n 16 tot 18 kilogram), maar het was niets vergeleken met wat de andere twee jongens meesjouwde. De oudste van de groep had simpelweg geen enkele ervaring op het gebied van hiken en had teveel niet-lichtgewicht voedsel en spullen meegenomen. De andere jongen echter was pas net ontslagen uit het leger (elke Israelier moet 2 tot 3 jaar dienen) en had daar in de ‘Special Forces’ wel wat meer om zijn oren gekregen; wat nu resulteerde in een tas die zo vol gestopt was met koekjes en snoepjes dat je hem amper van de grond afkreeg.

In de vroege ochtend van de derde dag (zo rond 12 uur) besloten we maar wat van onze instant rijst/pasta en sauce te eten om toch een wat plezierige tocht te krijgen. Niets was minder waar, want zodra we voet op de aankomende route zetten barstte de hemel open en regende het de hele dag lang. Met een tas die ondanks een regenhoes zich zelf helemaal volzoog met water en dus het kleine beetje gewicht dat we kwijt waren geraakt met gemak opvulden, liepen we zonder al te veel te pauzeren. Mijn weg scheidde echter van de andere twee jongens toen ik me begon te irriteren aan hun constante gepraat in Hebreeuws en na een behoorlijk wat hoger tempo dan de andere twee kwam ik als eerste aan bij de hut; totaal doorweekt en lekgestoken door de ’sand-flies’. Het was echter pas na twee en een half uur en inmiddels zelfs al donker buiten dat de andere jongens de hut bereikten. Na zich zelf te hebben gewarmd aan het vuur dat ik had gemaakt in de openhaard vertelde ze me hoe het hun was vergaan. Mij vonden ze maar te snel lopen en de regen was te nat en na oneindig veel stops om hun schouders van het gewicht van hun tassen te ontdoen, zagen ze de hut al na anderhalf uur. Wat een mazzel! Hadden ze toch harder gelopen dan ze hadden verwacht. Ze werden echter lijkbleek toen ze de hut herkende als de hut waar ze afgelopen nacht in hadden geslapen. Dezelfde hut! En dus moesten ze na een al behoorlijk vermoeiende tocht weer helemaal opnieuw beginnen… Die avond, die we trouwens voor het eerst alleen in de hut doorbrachtte slonk onze voedselvoorraad flink, terwijl onze kleren en schoenen boven het vuur droogde.

De rest van de dagen werd niet minder zwaar en sommige dagen waren we haast geneigd onze baken aan te zetten; een zender die we mee hadden gekregen om onze veiligheid te garanderen als er iets zou gebeuren, er zou dan onmiddelijk een helicopter uitvliegen om ons op te halen. Niet zeker of onze verzekering zoiets iets zou dekken, zijn we maar flink door blijven stappen en hebben we de baken verder onaangeraakt gelaten. De wilde natuur van Stewart Island is werkelijk schitterend. Elk uur verandert het landschap totaal en zo loop je van een tropisch regenwoud (met nadruk op regen), naar een wit zandstrand, een woestijnachtig gebied, stranden met alleen maar stenen, watervallen, moeras, duinen, ondoorkombaar struikgewas en stranden waar op je moet rennen om het getij voor te blijven. Hoe mooier de omgeving hoe zwaarder de tocht zo blijkt. We hebben onze schoenen moeten vastbinden aan onze tassen en met bloten voeten en opgestrooptte broekspijpen door het water moeten wadden om aan de andere kant te komen. Diverse malen hebben we om moeten keren enkel om de juiste weg weer te vinden. En het beklimmen van een oneindig hoge berg met enkel modder en meer modder op je weg doet je postieve gedachtes geen goed.

Burger King hield ons aan de wandel. Want hoe meer je jezelf stort in elendigheid, hoe meer je de alledaagse gewone dingen gaat missen. Hoe geweldig is het om gewoon een Burger King binnen te lopen en te eten wat je wilt, zonder er aan te moeten denken hoeveel het weegt en dat je je eigen afval weer mee moet nemen. Lekker cola drinken in plaatst van water dat natuurlijk gezuiverd is en naar aarde smaakt. Nee, niets van al deze gemakken hadden we, maar wat verlangde we naar een simpele burger. Het was dan ook een hele verrassing om op de zesde dag, na een hele tocht over hamburgers te dromen in een hut te komen waar voedsel was achter gelaten. We deden ons te goed aan Marsen en wortels, kookte de kidneybonen, aten paprikas en worst en vielen uiteindelijk volledig in slaap. Twee dingen die ik sinds deze tocht het meest ben gaan waarderen is eten en slapen. Slapen was in deze tocht een kostbaar goed; te lang in je bed blijven liggen zou resulteren een extra zware dag, te kort slapen insgelijk. Al gingen de nachten voorbij als secondes, we sliepen als rozen. Al was het maar om dat we wisten dat bovenons een werkelijk superb schouwspel was van sterren. Ik heb er helaas van foto van kunnen maken, maar een sterrenhemel als ik mocht zien in die dagen ga ik waarschijnlijk niet veel vaker zien. Prachtig!

En dan ben je ‘pas’ op de zevende dag en verlang je niet alleen nog veel meer naar Burger King, maar lijkt elk gras sprietje van je buurman duizend maal groener. Geen wonder dus dat de jongen met al zijn snoep de hele dag ongegeneerd aangestaard werd. Uiteindelijk werd het de oudste van de groep het allemaal teveel en gaf hij toe aan zijn trek. Na een uur van handjeklap en meer lopen, kocht hij de Tim-tams van de ander. Tim-tams zijn koekjes die je voornamelijk bij de koffie eet en ik moet toegeven dat ze echt heel erg lekker zijn. Chocolade met een knapperige koek, en dat op een moment dat je uren in de wind stinkt van alle modder die je afgelopen dagen hebt overwonnen… Maar liefst twintig dollar (en vijftig cent) voor de negen koekjes die in de winkel een luttele 3,50 kostte. Of zoals in een van de gastenboeken stond geschreven:

“I saw people gone insane
And I can tell you how to do the same”

Op de achtste dag besloot de oudste de kreet ‘fuck Stewart Island’ te verbannen, daar hij geloofde dat als je zoiets zei Stewart Island je eeuwig zou blijven achtervolgen. Wij gebruikten de kreet echter steeds meer, vooral op het moment dat we besloten een hut te skippen. Of het achteraf nou slim was of niet, we hebben het gedaan: we hebben de Mason Bay hut geskipt. Dit resulteerde in een wandeling van meer dan 29 kilometer. Na al acht uur gelopen te hebben kwamen we eindelijk bij de eerste hut aan. Het was inmiddels al 7 uur ’s avonds. Na wat gegeten te hebben vertrokken we voor de tweede maal die dag voor een extra 15 kilometer. Half 9 was het toen we de hut achter ons lieten. De aankomende hike was ons makkelijk belooft en te doen in 4 uur. Wij waren echter uitgeput, onze knieen totaal kapot en onze schoenen soptte. Bovendien was het na 1 uur lopen compleet donker en liepen we met onze zaklantarens op ons voorhoofd. Een voordeel van in het donker lopen in dit gebied: je ziet Kiwi’s. De Kiwi is de nationale trots en icoon, maar slechts weinige hebben deze – overigens oerlelijke – vogel mogen bewonderen. Wij zagen er twee. Werkelijk fantastisch en het liet ons minder wanhopig voelen. Want wanhopig waren we zeker: pas om twee uur ’s nachts arriveerde we bij de tweede hut.

Na nog twee dagen lopen, die toch behoorlijk snel voorbij gingen met het dromen van het zitten bij de Burger King na dit alles, zaten we dan eindelijk weer op de ferry om voor altijd weg te varen van dit ellendig stuk New-Zealand wat helaas te mooi is om niet te zien. De oudste heeft zijn Tim-tams met smaak gegeten en de ander heeft uiteindelijk na de track zijn hele tas volgekocht met Tim-tams. En ik, ik kwam Sam weer tegen! Hij nam deel aan onze tocht naar de Burger King nog die zelfde avond. De Burger King was helaas volledig afgefikt waardoor het een McDonalds is geworden. De oudste (zijn naam is Efi trouwens) blijft erbij dat Stewart Island ons voor de laatste keer te pakken nam, maar ik kon alleen nog maar genieten van het vele eten en het slapen en eindelijk, eindelijk weer een douche!

Ik zit vandaag de dag alweer in Queenstown, waar ik al heel wat meer avonturen heb beleeft. Morgen vertrek ik weer voor een tocht van vier dagen: ‘The Routeburn-track”. Een ding wat ik met het vele eten en drinken na een onvergetenlijke track echter wel te weten ben gekomen is dat mijn geld kan vliegen. Als een straaljager. Daarom dit eenmalig verzoek: wie mij wil sponsoren, u bent van harte welkom.

Quirijn Petersen
Girorekening: 9091322

Posted by: Quirijn | March 14, 2008

14 maart foto’s

Posted by: Quirijn | March 3, 2008

Eric

New Zealand! Vanaf Sydney vlieg je in een kleine drie uur naar Christchurch. New Zealand bestaat grof gezegd uit twee delen: het noorder-eiland met Auckland als grootste stad en het zuider-eiland met Christchurch als belangrijkste (?) stad. Ik heb een maand om van Christchurch naar Auckland te komen om daar weer op het vliegtuig te stappen en terug te vliegen naar Sydney! Mijn avontuur is eindelijk begonnen…

Goed, dus je komt aan op een vliegveld zonder enig idee wat je gaat doen of waar je naar toe moet. Hoe pak je dat aan? Waarschijnlijk ongeveer hetzelfde als ik: de eerste keer veel te duur, maar naarmate je meer geld uit geeft steeds goedkoper. Laten we eerst maar eens een slaapplek regelen! Dus pak je een shuttlebus (duur) en laat je je naar het centrum van Christchurch rijden. Hostel? Check, maar: allemaal vol! Ohjee, wat nu. We lopen over het centrale plein van Christchurch met een zware tas op de rug, maar het zonnetje schijnt en de vogeltjes fluiten. Je word omringt door mensen die net als jij naar New Zealand zijn gevlogen om rond te reizen. En net zoals jij weten zij helemaal niets. Op naar het Tourist Office, wellicht hoef je toch niet in het park te pitten onder de brug… Ah gelukkig! Er is nog een hostel met plaats, maar het is iets buiten Christchurch, zo’n 15 minuten met de bus. De vrouw achter de balie kijkt je nors aan en vraagt dan voor de tweede keer omdat je de eerste keer door het accent er geen ei van kon bakken: ‘Hoeveel nachten wil je boeken?’ ‘ Euh, 3?’ Dus betaal je $60 en sleur je je grote tas mee naar de bussen. Maar liefst zes catogorien buslijnen, met voor elke catogorie drie keuzes. Welke neem je? Ach wel, je komt uiteindelijk aan bij MacKenzie Backpackers. Heus. Het gebouw ligt pal aan de weg en toont vervallen. Bij de bar moet je inchecken, dus loop je naar binnen. Je wordt aangestaart door een groep van twintig kroeg-locals die, naar eigen zeggen, geen avond zonder bier kunnen. En zo zien ze er ook uit. Je loopt achter de vrouw aan die net je vriendelijkste glimlach liet verbrijzelen. Dan maar lotgevallen ontmoeten! Maar er is helemaal niemand, dus val je niet veel later in slaap. Wat is dit leuk zeg!

Laat ik vertellen hoe het mij verder verging. Ik zit nu inmiddels in Invercargills, ongeveer het zuidelijkste puntje van New-Zealand. Morgen even flink shoppen, want donderdag 5 maart vertrek ik voor een ‘track’ van 8-10 dagen naar Stewart Island! Goed. Op de desbetrefende 23 februari, de dag van mijn aankomst en mijn – ahum – hartelijke ontvangst, werd ik om een uur of 6 wakker. De lotgevallen die ik zo graag had willen ontmoeten, maar niet kon vinden druppelde een voor een binnen. En dus raakte ik aan de praat. Eerst over het feit dat het zo druk bleek te zijn in Christchurch en dat dit de laatste resterende slaapplek was, maar al snel over het reizen in het algemeen en over je geboorteland en al je vrienden en familie. Voordeel van deze plek des onheils was duidelijk dat alle net-NZ-binnenstromende-mensen hiernaar toe werden gestuurd en zo in een groep kwamen van allemaal ‘ nieuwelingen’. Ik bleef 2 dagen in Christchurch en ontmoette zo 3 mensen waarmee ik later zo bleek, verder zou blijven reizen. Twee jongens en een meisje, waarvan het meisje met een van de jongens meereisde zonder dat het een stelletje was. Gemiddelde leeftijd hier overigens: 22. Maayan, Lior en Amit komen uit Israel en hebben werkelijk een neus voor het vinden van andere mensen uit Israel. Op onze weg naar Akaroa – plaatsje iets buiten Christchurch - vulden nog 4 andere Israeliers onze groep aan tot een groep van maar liefst 8 mensen. De situatie (tot en met vandaag nog steeds) nu: drie meisjes en vijf jongens. Ik leer hier Hebreeuws spreken en schrijven in sneltreinvaart! Aangezien ik de enige ‘ blanke’  ben in de groep grappen we vaak over het feit dat we net Sneeuwwitje en de 7 dwergen zijn. En zo is het maar net, want gezonde Hollandse jongens laten de Israeliers krimpen tot dwergen! Sneeuwwitje dus.

Eric Snowwhite; hoewel ik Snowwhite al snel verbannen heb tot de eeuwige jachtvelden, kent iedereen mij hier als Eric. Waarom? Omdat mijn officiele naam nu eenmaal Eric is (kijk maar in mijn paspoort) en omdat niemand hier zo’n makkelijke naam als Quirijn fatsoenlijk uit kan spreken. Met de groep van acht heb ik inmiddels al heel wat beleefd! In Akaroa hebben we een two-days track gedaan, wat inhoudt dat je twee dagen aan het ‘wandelen’ bent en overnacht in een berghut. Voor degene die dit nog nooit hebben gedaan: doen! Vooral in de morgen wakker worden van de zon die opkomt tussen de bergen en schijnt door varens die zijn uitgegroeid tot bomen tot het moment dat je met het blote voeten door de zee struimt die slecht een klein uurtje lopen van je verwijderd is, is een fantastisch en een soort van bevrijdend gevoel. En zo ben ik de volgende dag met de hele groep teruggelopen naar de auto (we hebben er nu twee) en zijn we naar Akaroa teruggereden.

Ik draai en draai en ik blijf draaien in de hoop dat hij mij zal volgen in mijn gespin. Het water is koud, maar het wetsuit houdt mij redelijk warm en het gevoel hier te zwemmen op dit moment verwarmd me. Hector dolfijnen, de meest zeldzame dolfijnen op de hele wereld en tevens de kleinste, zwemmen om mij heen. Ik maak zelfs vrienden in het water zo blijkt, want plots duikt er pal voor me een dolfijn naar boven en begint mij te volgen in mijn gedraai. Het Braziliaanse meisje waarvan alle jongens uit onze groep hun uiterste best deden om haar te versieren, klapt verrukt. ‘ Ie followed joe!’ Ik knik heel stoer en geniet vervolgens nog even van een enorme sprong van een dolfijn iets verder.

Ik ben nu alweer zo’n 10 dagen in New-Zealand en ik reis nog steeds met de grote groep. Een grote groep, maar met de twee auto’s die we hier gebruiken genieten we van een enorme vrijheid. We stappen in en rijden naar plaatsen waar de meeste niet komen en zien zeehonden, pinguins en zelfs zeeleeuwen. Je zou ze kunnen aanraken (behalve de pinguins), maar de tanden die ze tonen beletten je voor het maken van een enorme fout. Dus rijden we maar weer verder. Langs Dunedin waar we maar liefst twee dagen bleven (mocht je hier ooit nog komen, ga uit in de club ‘ The Monkey Bar’ en probeer een aantal Israelischers mee te slepen: fantastische avond gegarandeerd!), helemaal naar Invercargills, waar ik nu eindelijk weer gebruik kan maken van het internet! Werkelijk alles kost geld hier, dus naast het leren koken leer ik nu ook bewust met geld omgaan. Kon ik stiekem allang natuurlijk. Overmorgen splitst de groep. Zoals gezegd neem ik samen met twee andere jongens (Lior, 22 en Efie, 27) de ferry naar Stewart Islands om een track te gaan maken van maar liefst 8 tot 10 dagen! Dit is de langste track die New-Zealand kent om even aan te tonen hoe bijzonder deze track is: vorige week heefst slechts 1 persoon de track gemaakt. Ben benieuwd! Over twee weken zit ik dan eindelijk in Queenstown en wordt de groep van acht weer 1. Na de waarschijnlijke bungy-jump (ik word nu serieus bang dat ik hem ook daadwerkelijk ga doen), gaan we namelijk met z’n alle de Woodburn-track maken!

Hoewel ik me op het moment kiplekker voel en helemaal gelukkig, gaat er geen dag voorbij dat ik niet aan jullie denk. Ik kan jullie helaas geen foto’s laten zien want zoals gezegd is mijn camera foetsie, maar die komen later wel. Hopelijk zijn jullie nu weer een beetje op de hoogte van mijn belevenissen en mijn welzijn. Ik mis jullie, maar heb het hier erg naar m’n zin! Twijfel zeker niet om eens iets van jullie te laten horen, dan zou ik ook zeker snel weer internet proberen te vinden. Groetjes!

Posted by: Quirijn | February 21, 2008

No worries

Van de grote gebouwen in Dubai vlieg ik in ongeveer 16 uur naar de grote gebouwen in Sydney. De natuur hier laat Dubai echter een poepie ruiken: de bergjes die ik hier heb gezien zijn minstens twee keer hoger, groter, breder en indrukwekkender. Sorry.

Ik had ondertussen al zoveel griezelverhalen gehoord over de douane in Australie, dat ik lichtelijk teleurgesteld langs alle detectiepoortjes loop met mijn Work&Holiday-sticker in mijn paspoort. Zelfs in het vliegtuig maakte ze je bang door formulieren uit te delen die je naar eer en geweten in moest vullen. ‘Pas op! Deze worden gecontroleerd en als het blijkt dat je niet eerlijk bent geweest, dan krijg je een fikse boete!’  Brrrr. Maar niets aan de hand dus. Zelfs het hondje dat de tassen controleerden wist niet hoe snel die weg moest komen bij mijn bagage. Terecht is het natuurlijk om te zeggen dat door al deze terreur de meeste mensen voorzichtiger zijn en daardoor ook gewoon door de douane komen. Wat opzich natuurlijk ook gewoon de bedoeling is bij de douane.

Al met al zit ik nu alweer bijna een week in Sydney en heb ik jullie daar haast helemaal nada nikkes niets van laten weten! Waarschijnlijk omdat ik hier gewoon veel aan het doen en beleven ben, maar desalniettemin mijn welgemeende excuses.

Laat ik jullie meenemen door Sydney. Ik logeer hier in Warrawee, een van de vele suburbs die Sydney rijk is, bij vrienden van mijn ouders. Het is al bijna tien jaar geleden dat zij uit Nederland zijn vertrokken, maar over hun Nederlands niets dan goeds. Toch spreken we hier voornamelijk Engels, al is het maar omdat Emma (dochter) zich anders een beetje buitengesloten voelt – ze kan het verstaan, maar na zo’n lange tijd is het spreken voor haar behoorlijk lastig. Het is hier behoorlijk goed vertoeven: zwembad in de tuin, palmbomen achter de schutting, gratis internet voor elk en een station naast de deur. En dat station is behoorlijk handig. De meeste van de dagen stap ik in de trein en rij ik naar Sydney om daar een beetje de stad te verkennen. Handigheidje van de treinen hier: je kan de banken hier ‘omdraaien’ zodat je neus altijd de goede kant opwijst.

Het is grauw, benauwd en vies in de tunnel. Aan het einde is een fel wit licht. Ik ben net uit de trein gestapt op het centrale station in Sydney en ik loop met een grote stroom mensen door de tunnel op weg naar buiten. Het geluid van Halleluhja (Jeff Buckley) zwelt op en met het refrein loop ik langs de straatartiest (geen grap). Ik begin te lachen en de tunnel is opeens gezellig en schoon. Ik sta buiten, midden in Sydney.

In Sydney kan je eigenlijk voor alles terecht. Er zijn hier genoeg drukke winkelstraten om lekker te shoppen en er zijn hier werkelijkwaar de meeste geweldige parken om eens helemaal tot rust te komen. Ik zelf ben helemaal verliefd geworden op de Botanic Gardens. Een enorm park met allerlei soorten bomen, bloemen en planten. Volgens Australische humor staan hier bordjes in het gras met: ‘Please walk on the grass’. Maar ook eens lekker een biertje drinken kan hier prima. Vooral langs het water zijn er tal van leuke barretjes (twee dagen geleden heb ik nog een biertje gedronken met Rikst Westra – schoolvriendin – die momenteel ook in Sydney verblijft). Wat Sydney echter voornamelijk uitstraalt is de relaxte cultuur van Australie. ‘No worries.’

Zou je echter een persoon zijn die zich wel druk maakt, dan word je hier waarschijnlijk gek. Spinnen zijn pas spinnen als ze je met hun gif de nek om kunnen draaien, slangen zijn hier overal en hoewel de natuur hier schitterend is, is het tegelijkertijd ook een van de grootste moordenaars van het land. Maar zoals mijn grote vriend Roelof in Nederland al zei: ‘Zolang je geen een of ander blond hulpelkutje bent, hoef je je helemaal nergens zorgen om te maken.’ No worries lijkt me een perfecte afsluiter van dit stuk; over twee dagen vlieg ik trouwens al weer naar Nieuw Zeeland, Christchurch! 

Posted by: Quirijn | February 13, 2008

Lief dagboek

De taxi crosst met piepende banden door de bocht en tikt met gemak 140 aan op de teller. Andere auto’s waarschuwd hij met zijn knipperlichten. Het is nog behoorlijk warm; gister om deze tijd was het beduidend frisser. De taxichauffeur daarentegen draait de verwarming nog iets hoger. Wij zitten achterin. De gordels ditmaal maar vastgeklikt, hoewel dat zeker niet gebruikelijk is in deze stad. Niet veel later staan we weer midden in de nacht. We kloppen aan bij Rachiq, een vriend van Rutger. ‘ Hebben jullie honger jongens?’

Het leven raast hier nog harder dan een nerveuse taxichauffeur voorbij. Wij zijn hier inmiddels alweer een week. We hebben zoveel nieuwe indrukken gemaakt dat ik de helft alweer vergeten ben. Toch helpt het als je elke dag in een dagboek schrijft. Ik hield een dagboek nooit vol, maar deze keer ben ik vastbesloten elke avond iets in mijn reisjournaal te schrijven. Ik blader wat terug en we komen op tien februari, de vierde dag in Dubai.

Lief dagboek. Het is alweer laat als we vertrekken. Zoals tot nu toe elke dag liggen we veel te lang in bed. We bezoeken vandaag een van de grotere shoppingmalls in Dubai. Het is vandaag zondag en gewoon een doordeweeksedag (het weekend beslaat hier vrijdag en zaterdag, maar onze vakantie maakt zich niet druk om de dagen van de week). Toch is het behoorlijk druk. We lopen wat door de enorme gangen en we komen al snel langs een indoor-skihal. Een skihal een Dubai? Een skihal in Dubai. Bovendien natuurlijk de grootste van de wereld. Stel je voor: binnen in de skihal is het -4C, buiten in Dubai kan het kwik oplopen tot +50C. Tja, je moet hier toch wat met je geld? 

 Ik blader wat verder en we bereiken elf februari, de vijfde dag in Dubai. We houden een van de vele taxis aan en laten ons rijden naar de Creek; een stuk water dat iets verder het land in ligt en waar omheen allemaal kleine krampjes zijn gestalt. Nog maar vijf seconden uit de taxi en we worden aangesproken door een man die ‘ copy-watches’ aanbied (oftewel: nep). Rutger had hier ons al over verteld. We besloten voor de verandering eens met zo’n kerel mee te gaan, meer omdat Rutger opzich wel een nep Rolex om zijn pols zou willen hebben. We volgen de man en zien de wat donkerdere steegjes van Dubai. Tijdens het lopen bepalen we de maximale prijs (maximaal 10 euro), wat zeker nodig is omdat afdingen meer regel dan uitzondering is. We voelen de bui al hangen als de man ons de Rolexs laat zien en begint bij 590 dirham. De euro staat vrij gunstig tegenover de dirham: voor 1 euro krijg je iets meer dan 5 dirham terug. Het bedrag van 590 dhm is dus ongeveer 110 euro! Na wat afdingen komt de man tot 520 dhm, maar verder wil hij niet gaan. ‘ You make price!’ Slik! Als we dat horloge willen hebben zullen we 50 dhm in moeten tikken op zijn rekenmachine. Rutger tikt het bedrag in, legt uit dat het heus geen euro’s  zijn en het is meteen galas, einde. Luid lachend lopen we de winkel uit. We hebben onze hand overspeelt, maar we weten dat deze man niet de enige is. En inderdaad, binnen vijf minuten worden we benadert door een andere man. Ditmaal ga ik voor een zonnenbril (de mijne is helaas kapot gegaan). Een zonnenbril… tja wat is daar de maximale prijs van? Ik besluit voor 10 euro te gaan. Wederom volgen we een man door donkere steegjes en we worden omhoog geleid door een trappenhuis. We staan midden in een wat benauwde kamer. De muren hangen vol met tassen en voor ons ligt een enorme lading horloges. Links van ons staan wat rekken met zonnenbrillen en ik loop er naar toe. ‘ Copy-watch, copy-watch?’ – ‘ Just sun-glasses’ – ‘ Copy-watch?’ Ik zoek een mooie uit (Emporio Armani) en vraag hoeveel. De eigenaar kijkt mij even schuin aan en typt vervolgens 300 in. Ik speel mijn teleurstelling en zeg hem dat hij mij ‘ good price’ heeft belooft. Het afdingen gaat wat beter dan bij Rutger, maar lager dan 80 dhm krijg ik hem helaas niet. Genoeg zonnenbrillen ergens anders en ik ga niet akkoord. In zijn wanhoop bied hij ons op de weg naar beneden nog wat ‘ sexy-movies’  aan, maar wij zijn al weg. Een nieuwe groep staat overigens al voor de deur.

Voor vandaag is de bladzijde nog wit. Toch zullen er ongetwijfeld weer nieuwe dingen gebeuren. Het is vandaag overigens de verjaardag van Rutger en dat willen we natuurlijk vieren! Bovendien staat er straks een trip naar de Emirates towers op de planning en is ook de vader van Rutger weer thuis (hij werkt hier als architect en het lijkt me wel heel erg leuk om even bij hem langs te gaan!). Beetje bij beetje vult mijn dagboek zich, maar hoewel ik al heel wat heb beleefd is het slechts een fractie van mijn reisjournaal: er kan nog veel meer in!

« Newer Posts - Older Posts »

Categories