Wat gaat de tijd toch ongelooflijk snel! Ik zit inmiddels al een dikke twee maanden in Nieuw-Zeeland en ben zelfs al twee weken langer dan dat van huis. Morgen verlaat ik dit land alweer en begint er een totaal nieuwe reis voor mij! Nieuwe vrienden, nieuw gebied en een nieuwe cultuur om op te snuiven. Ik ben er de laatste week behoorlijk mee bezig geweest, zoveel zelfs dat ik bijna zou vergeten dat ik nog lang niet alles had gezien in Nieuw-Zeeland!
Het weer is inmiddels wat opgeknapt, maar wat is het de laatste week tekeer gegaan! Het begon met mijn lift van Rotorua naar Coromendel. De zon stond al hoog aan de lucht toen ik mijn eerste lift pakten om weg te komen uit Rotorua, het stinkende stadje. Hoewel het stonk had ik over het weer niets te klagen: 22 graden met een wolkenloze lucht. Super! En toen was het liften geblazen. Coromendel ligt een dikke vijf uur rijden (als je met je eigen auto komt) van Rotorua vandaan en ligt op de zelfde hoogte als Auckland, maar op een heel ander uitsteksel van het Noordereiland. Het staat bekent om zijn laid-back, voornamelijk gecreeerd door de destijdse hippies. Mooie stranden, mooie natuur, grote bomen en inderdaad: erg relaxt. Op het moment dat ik uitgeput van al het liften aankwam - het was inmiddels al donker – begon het te regenen. Alle zon die mij hele dag had gekieteld spoelden er in een keer weer vanaf. Een ding dat ik van al mijn zomervakanties wel heb geleerd is dat je met regen er vooral er uit moet gaan en gewoon iets moet gaan doen: de regen valt dan heus wel mee. Ik besloot de eerste dag een mountainbike te huren en de omgeving te verkennen. Het mieserde zo af en toe, maar dat was verder geen probleem. Op deze manier heb ik dit unieke stukje landtong beter leren kennen. De schitterende kust die word afgeschermd door alle eilandjes en het binnenland met zijn watervallen en Kauri bomen. Kauri bomen zijn de reuzen van het bos. Werkelijk reusachtig hoe zij overal bovenuit steken! Ik ben ze overigens nog steeds dankbaar voor de beschutting die ze mij gaven toen er een klein donderkopje zijn regen plosteling los liet. Die regen die vanaf toen begon te vallen is een regen waar niet tegen op te boksen is. Met bakken komt het uit de hemel en het spoelt alles op zijn pad weg. Ik ben nog een extra nacht gebleven in Coromendel in de hoop dat ik ook nog de Hot Water Beaches zou kunnen bezoeken, maar uiteindelijk heb ik eieren voor mijn geld gekozen en ben ik naar Auckland vertrokken.
Mijn roem reist blijkbaar sneller dan ik zelf, want in Auckland werd ik hartelijk ontvangen door twee meisjes die werkelijk alles van mij afwisten! Het waren twee Israeliers en ze hadden een tijdje met een deel van mijn oude groep gereisd (de nieuwste roddels werden heerlijk doorgegeven) en ze waren zelfs Sam en Jur tegengekomen, die – zo vertelde de meiden – nog steeds op blikjes Ravioli leven. Geweldig om zo weer van alles te horen! De wegen van de meisjes scheidde zich echter en ik bleef gezellig met een van hun achter waar ik de rest van mijn tijd in de stad mee op ben blijven trekken; toch wel leuk als iemand je de stad kan laten zien! In Auckland is echter niet veel te doen. De Sky-tower is tof, maar die ken je na de eerste keer gezien te hebben ook wel weer en de winkelstraat bestaat voornamelijk uit McDonalds en BurgerKing. Mijn hostel was echter wel avontuurlijk met de meest vreemde Engelsmannen die ik ooit heb gezien. En daar speelde zich mijn leven zich dan ook voornamelijk af: in de woonkamer van het hostel, hoewel ik van daaruit nog wel met verschillende personen wat uitstapjes heb gemaakt. Ik ben MtEden opgeklommen, een van de vele vulkanen van Auckland die je een werkelijkwaar fantastisch uitzicht geeft. Ik ben naar een strand gereden waar de kust een gigantische grot bezit (geen idee meer wat de naam is). En ik ben naar de univeristeit van Auckland gegaan en heb daar leren klimmen op een klimmuur. Vooral dat klimmen was heel erg tof! Onthou even voor mij dat ik dit vaker wil gaan doen.
Toen het weer zich enigszins weer van zijn betere kant liet zien heb ik uiteindelijk gedaan waar ik een tijdlang over heb zitten dubben: ik ben het Northland gaan verkennen, het land ten noorden van Auckland. Met een bus ben ik – notebene op Pesach - helemaal naar Paihia gereden. Paihia is een leuk klein plaatsje dat voornamelijk de toegangspoort is voor Cape Reinga: het noordelijkste puntje van Nieuw-Zeeland. Ik heb dit andere uithoekje van het land echter links laten liggen al was het maar om de vreselijke pijnen die mijn portomonnaie anders zou uitstaan. Het werd dus voornamelijk strandwandelingen maken, arstieke foto’s proberen te maken en kaarten met de Duitsers in mijn hostel (mijn Duits is weer iets minder slecht). Maar wat mijn hele tocht hierheen al waard maakten was mijn lift op mijn terugweg die mij uitnodigde voor de lunch. Het was een Maori vrouw die mij vertelde dat ze op school les gaf in Maorisch, de oorspronkelijke taal van de Maori. Bij haar thuis heb ik, onder het genot van een lunch die bestond uit alle soorten heerlijke cake, eindelijk wat leren spreken. De kinderen vonden het geweldig om mij tot tien te leren tellen en ik verliet het huis niet voordat ik 3 lijstjes met handig woorden in het Maorisch mee had genomen. Geweldig hoe vriendelijk de mensen waren!
De Bananencake waarvan ik bij het Maori gezin had gesmult, heb ik uiteindelijk leren maken terug in Auckland. Ik logeer hier nu bij Susan Bierre en haar twee zoontjes Adam en Rami. Rami zat bij mijn vader op school en zo kwamen we in contact. Heel erg aardig hoe ik hier nu voor een aantal dagen deel van het gezin mocht zijn en eindelijk weer onbeperkt het internet kon gebruiken! Het is een mooi ruim huis in een van de luxere wijken van Auckland en Susan en de jongens hebben mij een heel andere kant van Auckland laten zien: de kant van het vrije vakantie gevoel dat je krijgt als je van je werk komt en vanuit je huis bijna het strand kan zien. Palmbomen overal en zelfs als het regent is het warm. Vandaag ben ik met hun naar het Nationale museum geweest en ik eindelijk de Mao gezien! Een opgezette Moa dan, want de Moa vogel die maar liefst 3 meter hoog kon worden is inmiddels uitgestorven (gelukkig). En dan zit mijn reis door Nieuw-Zeeland er alweer bijna op. Mijn laatste tijd voelde als een weg naar het einde van mijn reis, maar is eigenlijk pas het begin! Gelukkig heb ik dat op tijd gerealiseerd en heb ik nog even van een paar hele mooie (wel natte) stukjes Nieuw-Zeeland mogen genieten. En het is ook wel erg lekker om dit alles af te sluiten bij mensen die gewoon Nederlands praten. Super tijd! Ik ben erg benieuwd wat ik allemaal nog mee ga maken. Al twee en een halve maand van huis… Wat is dat lang zeg, maar wat gaat het snel!
P.S.: De opa van de twee jongens (vader van Susan) woont hier naast en is zijn hele leven Architect geweest. Auckland staat vol met gebouwen van zijn ontwerp! Ik word hier nog enthausiast…
Ik heb het geweldig naar m’n zin. Wat een leventje is dit! Gister de hele dag niets gedaan. Gewoon omdat het kon, en ik moest bovendien mijn was even doen. En dan lekker in de zon zitten – in Rotorua is het nu 20 graden Celcius – een boekje lezen, sandwiches eten en naar muziek luisteren. Misschien lui, maar ik had het echt even nodig na mijn dagen daarvoor.
Een track van 8 uur tussen twee vulkanen door. Zegt je niets? Er waren daar drie vulkanen en de hoogste wordt in de film Lord of the Rings als Mount Doom gebruikt. Kan je vast wel vinden op het internet welke dat is. Leuk dus dat deze Canadees mij daar heen kon rijden, maar wat was deze vent ongelooflijk hyper! Vanaf het begon van de track stoof ie weg en ik – toch wel opgelucht om even van hem verlost te zijn – heb die dag met een andere Nederlander en een (idioote maar wel erg toffe) Chinees gelopen. Was erg tof! Helemaal boven op de top kon je nog geen vijf meter ver zien, maar dat had ook wel weer z’n absurde charme; het leek net alsof je op het strand liep. Gelukkig zaggen we meer na een honderd meter gedaald te zijn.
Ik reed verder met de Canadees naar Taupo en ook de volgende dag stapte ik bij hem in de auto op weg naar Rotorua. Bij Te Tuia – probeer maar eens uit te spreken – maakte we een stop. Het middeland van het Noordereiland (Middle-earth?) kenmerkt zich vooral door vulkanische activiteit en de duidelijke aanwezigheid van de Maori. Te Tuia heeft beide. Het is een soort van ‘atractiepark’ waar je voor veel te veel geld meer kan leren over de Maori-cultuur. Zo kan je een Maori dorp bezoeken zoals ze dat vroeger kende en maak je de traditionele krijgersdans mee: de Haka. Wat echter veel vetter is, was de thermale activiteit in de bodem die ze hier hebben. Tussen de vulkanen rook je al iets van rotte eieren, maar hier was de lucht helemaal niet te harden! Samen met de Canadees heb ik pruttelende modderpoelen, gifgroene waterplassen en een uitbarstende gyser bewonderd. De gyser was ook wel de kers op de taart. Wat gaat zo’n ding hoog! Later die dag heb ik me af laten zetten door de Canadees in Rotorua waarna hij weer verder reed. Pfff, eindelijk van hem verlost.
Rotorua staat ook wel bekent als het stinkende stadje en gelijk hebben ze. Want het stinkt hier. Gek genoeg went de geur van rotte eieren erg snel en begin je de omgeving te bewonderen. Overal hier in het dorp/stadje zijn modderpoelen en dampende waterplassen. Ik heb volgens mij nog nooit zoveel foto’s genomen op een dag! Ook erg leuk was trouwens dat ik later op de dag Jurriaan – of Jack/Julian/Johnny zoals hij nu door het leven gaat – ontmoette! Ik staptte net mijn hostel uit en hij staptte net een auto in. Leuk om elkaar zo plosteling weer tegen het lijf te lopen! Ik heb hem ’s avonds maar een beetje van mijn Curry gegeven, want die jongen leeft enkel maar van pasta uit blik. Daarna nog lekker met hem en twee andere gekaart en gedobbeld en de volgende dag heb ik weer afscheid van hem genomen. Nog een krappe twee weken heb ik voor de rest van het Noordereiland, maar ik heb zo veel dingen gehoort die ik zeker moet gaan bezoeken dat ik er duizelig van word! In ieder geval nog genoeg te doen dus. Tot de volgende!
Wat een land, wat een leven, wat een vrijheid! Maarliefst een maand heb ik met een – elke dag groeiende – groep Israeliers meegereisd. Ik spreek nu vloeiend Hebreeuws (kan het zelfs lezen) en ik heb geweldige dingen gezien, gedaan en meegemaakt. Maar… Wat snakte ik soms naar een momentje voor mezelf!
Op het moment van schrijven zit ik in Picton, helemaal in het noorden van het Zuidereiland. In ongeveer een dag of 4 ben ik de afstand van maarliefst 600 (?) kilometer gelift, waar ik ondertussen een vrije dag heb genomen in Global Village; een hostel in Greymouth dat te tof was om snel weer weg te gaan (ik geloof dat Sam daar nu ook zit). Het liften is een ervaring op zich. Meestal was het rijden een noodzakelijk kwaad, maar nu is het een avontuur! Ten eerste omdat je natuurlijk nooit zeker bent of je wel op je eindbestemming terecht komt en ten tweede omdat je nooit weet wat voor een persoon achter het stuur zit. Tot nu toe niets dan hele aardige, vriendelijke mensen die vol met verhalen zitten!
Nu geniet ik vooral van mijn vrijheid en probeer wat meer rust te nemen. Lekker experimenteren met koken bijvoorbeeld! Gister de meest geweldige Hutspot gemaakt, na de dag daarvoor een iets minder geslaagde Curry te hebben gegeten. Morgen vertrekt mijn ferry om twee uur in de middag naar het Noordereiland trouwens. Ik heb nog iets meer dan drie weken op het Noordereiland en ik ben benieuwd wat ik tegen kom en welke gerechten ik nog meer leer koken (mijn kipschnitzels zijn trouwens meesterlijk!). Cheers!
Mijn geest blijkt zwak, want op het moment van schrijven zit mijn jump er alweer op. Ik heb gebungy-jumped! Ik heb gebungy-jumped. Queenstown is echt het stadje waar je wel bungy-jump’t, of het van je rest van je leven niet doet. Je hebt vrijgeteld vier keuzes hier: 43 meter, 47 meter, niet bungy-jumpen of… de Nevis Bungy van maarliefst 134 meter! De Nevis is de een na hoogste van de hele wereld; alleen in Zuid-Afrika is nog een hogere. En als ik het dan toch doe, als ik er dan toch veel geld voor betaal, dan maar de beste!
Langzaam dringt de situatie tot je door en verandert de dodensprong in een ervaring van vliegen en genieten. Verdoofd door alle adrenaline maak ik de eerste bung niet echt bewust mee, maar ik schreeuw m’n longen uit mijn lijf op het moment dat ik voor mijn tweede bung naar beneden val. Ik leef! Wat vet! Woeahhhh!!! YES!!! WOEAHA!!!!
We spreken 5 maart als ik samen met vier Israelische vrienden de ferry neem naar Stewart Island. Stewart Island telt slechts een dorpje, wat het woord dorpje nog geeneens mag dragen. Er is geen bank, afval word elke week naar het vaste land gebracht en het weer… verandert elke minuut. Ik ben hier om in 10 dagen maar liefst 126 kilometer te overbruggen!
De eerste dag volgt de track dezefde weg als de ‘Great Walk’ van 3 dagen. Hier in New-Zealand heb je behoorlijk wat Great Walks; een soort van garantie voor een mooi uitzicht en een goedbegaanbare weg. Vooral het laatste is erg prettig zo bleek later! Dus liepen we de eerste dag lekker met z’n vijfen, te weten dat hierna de groep zich zou splitsen in een groep van twee die de Great Walk route zouden nemen en een groep van drie (inclusief mijzelf) die voor de volle tien dagen gingen. En dan is het lopen geblazen!
Rechts van ons loopt het gras over in strand en een kalme zee, links van ons is een oorverdovend kabaal van mensen die het over duidelijk naar hun zin hebben. Er staan wat tenten met daar omheen een flinke lading spullen uitgestalt en iets verder vinden we een hut waar een geur van verse vis en gebakken vlees vandaan komt. Midden in het kamp zitten een groep mannen in een cirkel bier te drinken. ‘Oi mate!’ De jagers kijken om, zien ons staan, lachen wat en binnen de korste keren sta ik te praten met de jagers met bier in mijn handen. Niet veel later probeer ik Paoa (een schelpdier die voor 100 bucks per kilo wordt verkocht), Mottenbird (een vogel die niet te eten is) en gerookte vis, waarvan de naam niet te verstaan was door het wilde accent van de man die het ons vertelde. Oja! Ook nog een verse Oester geprobeert, maar een schep zeewater in je mond smaakt beter… Jak! Met wat hevig ja-geknik en gelach – ook al verstond je het meeste er niet van – bracht de mannen uiteindelijk tot het uitnodigen van ons voor het dinner. Dus na een verzadigde buik en een flinke lading bier achter de kiezen keerden we uiteindelijk laat in de nacht terug naar onze hut, om de volgende dag onze tassen niets lichter terug te vinden… Maar een ervaring was het zeker!
De tweede dag werd al gauw duidelijk waar we aanbegonnen waren toen we van de Great Walk afweken. We liepen nu met z’n drieen en de weg was nu geen weg meer, maar een zoektocht naar tekens voor de route, een modderbad in plaatst een brug over de plassen en een wandeling van bergje-op tot bergje-af. Kapot kwamen we aan bij de tweede hut van onze reis en hoewel niemand het hard op durfde te zeggen dachten we allemaal het zelfde: tien dagen? Tien dagen?! Overigens werden we ook hier hartelijk onthaald door een groep jagers die ons onmiddelijk van koud bier voorzagen en er voor zorgde dat onze tassen voor de tweedemaal het zelfde gewicht behielden. Mijn tas was weliswaar zwaar (gok toch zeker zo’n 16 tot 18 kilogram), maar het was niets vergeleken met wat de andere twee jongens meesjouwde. De oudste van de groep had simpelweg geen enkele ervaring op het gebied van hiken en had teveel niet-lichtgewicht voedsel en spullen meegenomen. De andere jongen echter was pas net ontslagen uit het leger (elke Israelier moet 2 tot 3 jaar dienen) en had daar in de ‘Special Forces’ wel wat meer om zijn oren gekregen; wat nu resulteerde in een tas die zo vol gestopt was met koekjes en snoepjes dat je hem amper van de grond afkreeg.
In de vroege ochtend van de derde dag (zo rond 12 uur) besloten we maar wat van onze instant rijst/pasta en sauce te eten om toch een wat plezierige tocht te krijgen. Niets was minder waar, want zodra we voet op de aankomende route zetten barstte de hemel open en regende het de hele dag lang. Met een tas die ondanks een regenhoes zich zelf helemaal volzoog met water en dus het kleine beetje gewicht dat we kwijt waren geraakt met gemak opvulden, liepen we zonder al te veel te pauzeren. Mijn weg scheidde echter van de andere twee jongens toen ik me begon te irriteren aan hun constante gepraat in Hebreeuws en na een behoorlijk wat hoger tempo dan de andere twee kwam ik als eerste aan bij de hut; totaal doorweekt en lekgestoken door de ’sand-flies’. Het was echter pas na twee en een half uur en inmiddels zelfs al donker buiten dat de andere jongens de hut bereikten. Na zich zelf te hebben gewarmd aan het vuur dat ik had gemaakt in de openhaard vertelde ze me hoe het hun was vergaan. Mij vonden ze maar te snel lopen en de regen was te nat en na oneindig veel stops om hun schouders van het gewicht van hun tassen te ontdoen, zagen ze de hut al na anderhalf uur. Wat een mazzel! Hadden ze toch harder gelopen dan ze hadden verwacht. Ze werden echter lijkbleek toen ze de hut herkende als de hut waar ze afgelopen nacht in hadden geslapen. Dezelfde hut! En dus moesten ze na een al behoorlijk vermoeiende tocht weer helemaal opnieuw beginnen… Die avond, die we trouwens voor het eerst alleen in de hut doorbrachtte slonk onze voedselvoorraad flink, terwijl onze kleren en schoenen boven het vuur droogde.
De rest van de dagen werd niet minder zwaar en sommige dagen waren we haast geneigd onze baken aan te zetten; een zender die we mee hadden gekregen om onze veiligheid te garanderen als er iets zou gebeuren, er zou dan onmiddelijk een helicopter uitvliegen om ons op te halen. Niet zeker of onze verzekering zoiets iets zou dekken, zijn we maar flink door blijven stappen en hebben we de baken verder onaangeraakt gelaten. De wilde natuur van Stewart Island is werkelijk schitterend. Elk uur verandert het landschap totaal en zo loop je van een tropisch regenwoud (met nadruk op regen), naar een wit zandstrand, een woestijnachtig gebied, stranden met alleen maar stenen, watervallen, moeras, duinen, ondoorkombaar struikgewas en stranden waar op je moet rennen om het getij voor te blijven. Hoe mooier de omgeving hoe zwaarder de tocht zo blijkt. We hebben onze schoenen moeten vastbinden aan onze tassen en met bloten voeten en opgestrooptte broekspijpen door het water moeten wadden om aan de andere kant te komen. Diverse malen hebben we om moeten keren enkel om de juiste weg weer te vinden. En het beklimmen van een oneindig hoge berg met enkel modder en meer modder op je weg doet je postieve gedachtes geen goed.
Burger King hield ons aan de wandel. Want hoe meer je jezelf stort in elendigheid, hoe meer je de alledaagse gewone dingen gaat missen. Hoe geweldig is het om gewoon een Burger King binnen te lopen en te eten wat je wilt, zonder er aan te moeten denken hoeveel het weegt en dat je je eigen afval weer mee moet nemen. Lekker cola drinken in plaatst van water dat natuurlijk gezuiverd is en naar aarde smaakt. Nee, niets van al deze gemakken hadden we, maar wat verlangde we naar een simpele burger. Het was dan ook een hele verrassing om op de zesde dag, na een hele tocht over hamburgers te dromen in een hut te komen waar voedsel was achter gelaten. We deden ons te goed aan Marsen en wortels, kookte de kidneybonen, aten paprikas en worst en vielen uiteindelijk volledig in slaap. Twee dingen die ik sinds deze tocht het meest ben gaan waarderen is eten en slapen. Slapen was in deze tocht een kostbaar goed; te lang in je bed blijven liggen zou resulteren een extra zware dag, te kort slapen insgelijk. Al gingen de nachten voorbij als secondes, we sliepen als rozen. Al was het maar om dat we wisten dat bovenons een werkelijk superb schouwspel was van sterren. Ik heb er helaas van foto van kunnen maken, maar een sterrenhemel als ik mocht zien in die dagen ga ik waarschijnlijk niet veel vaker zien. Prachtig!
Op de achtste dag besloot de oudste de kreet ‘fuck Stewart Island’ te verbannen, daar hij geloofde dat als je zoiets zei Stewart Island je eeuwig zou blijven achtervolgen. Wij gebruikten de kreet echter steeds meer, vooral op het moment dat we besloten een hut te skippen. Of het achteraf nou slim was of niet, we hebben het gedaan: we hebben de Mason Bay hut geskipt. Dit resulteerde in een wandeling van meer dan 29 kilometer. Na al acht uur gelopen te hebben kwamen we eindelijk bij de eerste hut aan. Het was inmiddels al 7 uur ’s avonds. Na wat gegeten te hebben vertrokken we voor de tweede maal die dag voor een extra 15 kilometer. Half 9 was het toen we de hut achter ons lieten. De aankomende hike was ons makkelijk belooft en te doen in 4 uur. Wij waren echter uitgeput, onze knieen totaal kapot en onze schoenen soptte. Bovendien was het na 1 uur lopen compleet donker en liepen we met onze zaklantarens op ons voorhoofd. Een voordeel van in het donker lopen in dit gebied: je ziet Kiwi’s. De Kiwi is de nationale trots en icoon, maar slechts weinige hebben deze – overigens oerlelijke – vogel mogen bewonderen. Wij zagen er twee. Werkelijk fantastisch en het liet ons minder wanhopig voelen. Want wanhopig waren we zeker: pas om twee uur ’s nachts arriveerde we bij de tweede hut.
Na nog twee dagen lopen, die toch behoorlijk snel voorbij gingen met het dromen van het zitten bij de Burger King na dit alles, zaten we dan eindelijk weer op de ferry om voor altijd weg te varen van dit ellendig stuk New-Zealand wat helaas te mooi is om niet te zien. De oudste heeft zijn Tim-tams met smaak gegeten en de ander heeft uiteindelijk na de track zijn hele tas volgekocht met Tim-tams. En ik, ik kwam Sam weer tegen! Hij nam deel aan onze tocht naar de Burger King nog die zelfde avond. De Burger King was helaas volledig afgefikt waardoor het een McDonalds is geworden. De oudste (zijn naam is Efi trouwens) blijft erbij dat Stewart Island ons voor de laatste keer te pakken nam, maar ik kon alleen nog maar genieten van het vele eten en het slapen en eindelijk, eindelijk weer een douche!












Van de grote gebouwen in Dubai vlieg ik in ongeveer 16 uur naar de grote gebouwen in Sydney. De natuur hier laat Dubai echter een poepie ruiken: de bergjes die ik hier heb gezien zijn minstens twee keer hoger, groter, breder en indrukwekkender. Sorry.
Laat ik jullie meenemen door Sydney. Ik logeer hier in Warrawee, een van de vele suburbs die Sydney rijk is, bij vrienden van mijn ouders. Het is al bijna tien jaar geleden dat zij uit Nederland zijn vertrokken, maar over hun Nederlands niets dan goeds. Toch spreken we hier voornamelijk Engels, al is het maar omdat Emma (dochter) zich anders een beetje buitengesloten voelt – ze kan het verstaan, maar na zo’n lange tijd is het spreken voor haar behoorlijk lastig. Het is hier behoorlijk goed vertoeven: zwembad in de tuin, palmbomen achter de schutting, gratis internet voor elk en een station naast de deur. En dat station is behoorlijk handig. De meeste van de dagen stap ik in de trein en rij ik naar Sydney om daar een beetje de stad te verkennen. Handigheidje van de treinen hier: je kan de banken hier ‘omdraaien’ zodat je neus altijd de goede kant opwijst.
In Sydney kan je eigenlijk voor alles terecht. Er zijn hier genoeg drukke winkelstraten om lekker te shoppen en er zijn hier werkelijkwaar de meeste geweldige parken om eens helemaal tot rust te komen. Ik zelf ben helemaal verliefd geworden op de Botanic Gardens. Een enorm park met allerlei soorten bomen, bloemen en planten. Volgens Australische humor staan hier bordjes in het gras met: ‘Please walk on the grass’. Maar ook eens lekker een biertje drinken kan hier prima. Vooral langs het water zijn er tal van leuke barretjes (twee dagen geleden heb ik nog een biertje gedronken met Rikst Westra – schoolvriendin – die momenteel ook in Sydney verblijft). Wat Sydney echter voornamelijk uitstraalt is de relaxte cultuur van Australie. ‘No worries.’
De taxi crosst met piepende banden door de bocht en tikt met gemak 140 aan op de teller. Andere auto’s waarschuwd hij met zijn knipperlichten. Het is nog behoorlijk warm; gister om deze tijd was het beduidend frisser. De taxichauffeur daarentegen draait de verwarming nog iets hoger. Wij zitten achterin. De gordels ditmaal maar vastgeklikt, hoewel dat zeker niet gebruikelijk is in deze stad. Niet veel later staan we weer midden in de nacht. We kloppen aan bij Rachiq, een vriend van Rutger. ‘ Hebben jullie honger jongens?’
Ik blader wat verder en we bereiken elf februari, de vijfde dag in Dubai. We houden een van de vele taxis aan en laten ons rijden naar de Creek; een stuk water dat iets verder het land in ligt en waar omheen allemaal kleine krampjes zijn gestalt. Nog maar vijf seconden uit de taxi en we worden aangesproken door een man die ‘ copy-watches’ aanbied (oftewel: nep). Rutger had hier ons al over verteld. We besloten voor de verandering eens met zo’n kerel mee te gaan, meer omdat Rutger opzich wel een nep Rolex om zijn pols zou willen hebben. We volgen de man en zien de wat donkerdere steegjes van Dubai. Tijdens het lopen bepalen we de maximale prijs (maximaal 10 euro), wat zeker nodig is omdat afdingen meer regel dan uitzondering is. We voelen de bui al hangen als de man ons de Rolexs laat zien en begint bij 590 dirham. De euro staat vrij gunstig tegenover de dirham: voor 1 euro krijg je iets meer dan 5 dirham terug. Het bedrag van 590 dhm is dus ongeveer 110 euro! Na wat afdingen komt de man tot 520 dhm, maar verder wil hij niet gaan. ‘ You make price!’ Slik! Als we dat horloge willen hebben zullen we 50 dhm in moeten tikken op zijn rekenmachine. Rutger tikt het bedrag in, legt uit dat het heus geen euro’s zijn en het is meteen galas, einde. Luid lachend l
open we de winkel uit. We hebben onze hand overspeelt, maar we weten dat deze man niet de enige is. En inderdaad, binnen vijf minuten worden we benadert door een andere man. Ditmaal ga ik voor een zonnenbril (de mijne is helaas kapot gegaan). Een zonnenbril… tja wat is daar de maximale prijs van? Ik besluit voor 10 euro te gaan. Wederom volgen we een man door donkere steegjes en we worden omhoog geleid door een trappenhuis. We staan midden in een wat benauwde kamer. De muren hangen vol met tassen en voor ons ligt een enorme lading horloges. Links van ons staan wat rekken met zonnenbrillen en ik loop er naar toe. ‘ Copy-watch, copy-watch?’ – ‘ Just sun-glasses’ – ‘ Copy-watch?’ Ik zoek een mooie uit (Emporio Armani) en vraag hoeveel. De eigenaar kijkt mij even schuin aan en typt vervolgens 300 in. Ik speel mijn teleurstelling en zeg hem dat hij mij ‘ good price’ heeft belooft. Het afdingen gaat wat beter dan bij Rutger, maar lager dan 80 dhm krijg ik hem helaas niet. Genoeg zonnenbrillen ergens anders en ik ga niet akkoord. In zijn wanhoop bied hij ons op de weg naar beneden nog wat ‘ sexy-movies’ aan, maar wij zijn al weg. Een nieuwe groep staat overigens al voor de deur.
Quirijn Petersen
