We spreken 5 maart als ik samen met vier Israelische vrienden de ferry neem naar Stewart Island. Stewart Island telt slechts een dorpje, wat het woord dorpje nog geeneens mag dragen. Er is geen bank, afval word elke week naar het vaste land gebracht en het weer… verandert elke minuut. Ik ben hier om in 10 dagen maar liefst 126 kilometer te overbruggen!
Een tocht van tien dagen betekent eten sjouwen voor tien dagen. Of liever gezegd: eten voor elf dagen want je wil absoluut niet zonder eten komen te zitten. Ik vertelde jullie eerder dat de tocht die ik ging doen – North-West-Circuit – een tocht is van acht tot tien dagen, maar vergeet het maar. Hoewel een jongeman ons vertelde dat hij de klus in zes dagen had geklaart (denk aan hele dikke kuiten en verdubbel ze dan), is het absoluut geen eitje en minimaal een tocht van elf dagen als je door bikkelt. Maar goed, ons was verteld dat je het in tien dagen kon doen, dus wilde wij hem ook in tien dagen doen. Dat dit betekende dat we zelfs ’s nachts moesten lopen en maar liefst 29 kilometer op een dag (afstand zegt echter niet zoveel aangezien 1 kilometer berg op, berg af veel zwaarder is): tja, het zij zo.
De eerste dag volgt de track dezefde weg als de ‘Great Walk’ van 3 dagen. Hier in New-Zealand heb je behoorlijk wat Great Walks; een soort van garantie voor een mooi uitzicht en een goedbegaanbare weg. Vooral het laatste is erg prettig zo bleek later! Dus liepen we de eerste dag lekker met z’n vijfen, te weten dat hierna de groep zich zou splitsen in een groep van twee die de Great Walk route zouden nemen en een groep van drie (inclusief mijzelf) die voor de volle tien dagen gingen. En dan is het lopen geblazen!
Aan het einde van de eerste dag komen we uitgeput aan bij de eerste hut. Wat een tocht was dit al! Natuurlijk is de eerste dag behoorlijk zwaar omdat je nog het volle gewicht van je bagage meesjouwt en je nog behoorlijk moet wennen aan het constante lopen. Voordeel echter is dat je na het eten al behoorlijk wat minder gewicht op je schouders hebt! Waren wij dus maar nooit de jagers tegen gekomen die naast ons kampeerden… We kunnen de hut al zien liggen als we het laatste hellinkje afrennen en op een open plek terecht komen.
Rechts van ons loopt het gras over in strand en een kalme zee, links van ons is een oorverdovend kabaal van mensen die het over duidelijk naar hun zin hebben. Er staan wat tenten met daar omheen een flinke lading spullen uitgestalt en iets verder vinden we een hut waar een geur van verse vis en gebakken vlees vandaan komt. Midden in het kamp zitten een groep mannen in een cirkel bier te drinken. ‘Oi mate!’ De jagers kijken om, zien ons staan, lachen wat en binnen de korste keren sta ik te praten met de jagers met bier in mijn handen. Niet veel later probeer ik Paoa (een schelpdier die voor 100 bucks per kilo wordt verkocht), Mottenbird (een vogel die niet te eten is) en gerookte vis, waarvan de naam niet te verstaan was door het wilde accent van de man die het ons vertelde. Oja! Ook nog een verse Oester geprobeert, maar een schep zeewater in je mond smaakt beter… Jak! Met wat hevig ja-geknik en gelach – ook al verstond je het meeste er niet van – bracht de mannen uiteindelijk tot het uitnodigen van ons voor het dinner. Dus na een verzadigde buik en een flinke lading bier achter de kiezen keerden we uiteindelijk laat in de nacht terug naar onze hut, om de volgende dag onze tassen niets lichter terug te vinden… Maar een ervaring was het zeker!
De tweede dag werd al gauw duidelijk waar we aanbegonnen waren toen we van de Great Walk afweken. We liepen nu met z’n drieen en de weg was nu geen weg meer, maar een zoektocht naar tekens voor de route, een modderbad in plaatst een brug over de plassen en een wandeling van bergje-op tot bergje-af. Kapot kwamen we aan bij de tweede hut van onze reis en hoewel niemand het hard op durfde te zeggen dachten we allemaal het zelfde: tien dagen? Tien dagen?! Overigens werden we ook hier hartelijk onthaald door een groep jagers die ons onmiddelijk van koud bier voorzagen en er voor zorgde dat onze tassen voor de tweedemaal het zelfde gewicht behielden. Mijn tas was weliswaar zwaar (gok toch zeker zo’n 16 tot 18 kilogram), maar het was niets vergeleken met wat de andere twee jongens meesjouwde. De oudste van de groep had simpelweg geen enkele ervaring op het gebied van hiken en had teveel niet-lichtgewicht voedsel en spullen meegenomen. De andere jongen echter was pas net ontslagen uit het leger (elke Israelier moet 2 tot 3 jaar dienen) en had daar in de ‘Special Forces’ wel wat meer om zijn oren gekregen; wat nu resulteerde in een tas die zo vol gestopt was met koekjes en snoepjes dat je hem amper van de grond afkreeg.
In de vroege ochtend van de derde dag (zo rond 12 uur) besloten we maar wat van onze instant rijst/pasta en sauce te eten om toch een wat plezierige tocht te krijgen. Niets was minder waar, want zodra we voet op de aankomende route zetten barstte de hemel open en regende het de hele dag lang. Met een tas die ondanks een regenhoes zich zelf helemaal volzoog met water en dus het kleine beetje gewicht dat we kwijt waren geraakt met gemak opvulden, liepen we zonder al te veel te pauzeren. Mijn weg scheidde echter van de andere twee jongens toen ik me begon te irriteren aan hun constante gepraat in Hebreeuws en na een behoorlijk wat hoger tempo dan de andere twee kwam ik als eerste aan bij de hut; totaal doorweekt en lekgestoken door de ’sand-flies’. Het was echter pas na twee en een half uur en inmiddels zelfs al donker buiten dat de andere jongens de hut bereikten. Na zich zelf te hebben gewarmd aan het vuur dat ik had gemaakt in de openhaard vertelde ze me hoe het hun was vergaan. Mij vonden ze maar te snel lopen en de regen was te nat en na oneindig veel stops om hun schouders van het gewicht van hun tassen te ontdoen, zagen ze de hut al na anderhalf uur. Wat een mazzel! Hadden ze toch harder gelopen dan ze hadden verwacht. Ze werden echter lijkbleek toen ze de hut herkende als de hut waar ze afgelopen nacht in hadden geslapen. Dezelfde hut! En dus moesten ze na een al behoorlijk vermoeiende tocht weer helemaal opnieuw beginnen… Die avond, die we trouwens voor het eerst alleen in de hut doorbrachtte slonk onze voedselvoorraad flink, terwijl onze kleren en schoenen boven het vuur droogde.
De rest van de dagen werd niet minder zwaar en sommige dagen waren we haast geneigd onze baken aan te zetten; een zender die we mee hadden gekregen om onze veiligheid te garanderen als er iets zou gebeuren, er zou dan onmiddelijk een helicopter uitvliegen om ons op te halen. Niet zeker of onze verzekering zoiets iets zou dekken, zijn we maar flink door blijven stappen en hebben we de baken verder onaangeraakt gelaten. De wilde natuur van Stewart Island is werkelijk schitterend. Elk uur verandert het landschap totaal en zo loop je van een tropisch regenwoud (met nadruk op regen), naar een wit zandstrand, een woestijnachtig gebied, stranden met alleen maar stenen, watervallen, moeras, duinen, ondoorkombaar struikgewas en stranden waar op je moet rennen om het getij voor te blijven. Hoe mooier de omgeving hoe zwaarder de tocht zo blijkt. We hebben onze schoenen moeten vastbinden aan onze tassen en met bloten voeten en opgestrooptte broekspijpen door het water moeten wadden om aan de andere kant te komen. Diverse malen hebben we om moeten keren enkel om de juiste weg weer te vinden. En het beklimmen van een oneindig hoge berg met enkel modder en meer modder op je weg doet je postieve gedachtes geen goed.
Burger King hield ons aan de wandel. Want hoe meer je jezelf stort in elendigheid, hoe meer je de alledaagse gewone dingen gaat missen. Hoe geweldig is het om gewoon een Burger King binnen te lopen en te eten wat je wilt, zonder er aan te moeten denken hoeveel het weegt en dat je je eigen afval weer mee moet nemen. Lekker cola drinken in plaatst van water dat natuurlijk gezuiverd is en naar aarde smaakt. Nee, niets van al deze gemakken hadden we, maar wat verlangde we naar een simpele burger. Het was dan ook een hele verrassing om op de zesde dag, na een hele tocht over hamburgers te dromen in een hut te komen waar voedsel was achter gelaten. We deden ons te goed aan Marsen en wortels, kookte de kidneybonen, aten paprikas en worst en vielen uiteindelijk volledig in slaap. Twee dingen die ik sinds deze tocht het meest ben gaan waarderen is eten en slapen. Slapen was in deze tocht een kostbaar goed; te lang in je bed blijven liggen zou resulteren een extra zware dag, te kort slapen insgelijk. Al gingen de nachten voorbij als secondes, we sliepen als rozen. Al was het maar om dat we wisten dat bovenons een werkelijk superb schouwspel was van sterren. Ik heb er helaas van foto van kunnen maken, maar een sterrenhemel als ik mocht zien in die dagen ga ik waarschijnlijk niet veel vaker zien. Prachtig!
En dan ben je ‘pas’ op de zevende dag en verlang je niet alleen nog veel meer naar Burger King, maar lijkt elk gras sprietje van je buurman duizend maal groener. Geen wonder dus dat de jongen met al zijn snoep de hele dag ongegeneerd aangestaard werd. Uiteindelijk werd het de oudste van de groep het allemaal teveel en gaf hij toe aan zijn trek. Na een uur van handjeklap en meer lopen, kocht hij de Tim-tams van de ander. Tim-tams zijn koekjes die je voornamelijk bij de koffie eet en ik moet toegeven dat ze echt heel erg lekker zijn. Chocolade met een knapperige koek, en dat op een moment dat je uren in de wind stinkt van alle modder die je afgelopen dagen hebt overwonnen… Maar liefst twintig dollar (en vijftig cent) voor de negen koekjes die in de winkel een luttele 3,50 kostte. Of zoals in een van de gastenboeken stond geschreven:
“I saw people gone insane
And I can tell you how to do the same”
Op de achtste dag besloot de oudste de kreet ‘fuck Stewart Island’ te verbannen, daar hij geloofde dat als je zoiets zei Stewart Island je eeuwig zou blijven achtervolgen. Wij gebruikten de kreet echter steeds meer, vooral op het moment dat we besloten een hut te skippen. Of het achteraf nou slim was of niet, we hebben het gedaan: we hebben de Mason Bay hut geskipt. Dit resulteerde in een wandeling van meer dan 29 kilometer. Na al acht uur gelopen te hebben kwamen we eindelijk bij de eerste hut aan. Het was inmiddels al 7 uur ’s avonds. Na wat gegeten te hebben vertrokken we voor de tweede maal die dag voor een extra 15 kilometer. Half 9 was het toen we de hut achter ons lieten. De aankomende hike was ons makkelijk belooft en te doen in 4 uur. Wij waren echter uitgeput, onze knieen totaal kapot en onze schoenen soptte. Bovendien was het na 1 uur lopen compleet donker en liepen we met onze zaklantarens op ons voorhoofd. Een voordeel van in het donker lopen in dit gebied: je ziet Kiwi’s. De Kiwi is de nationale trots en icoon, maar slechts weinige hebben deze – overigens oerlelijke – vogel mogen bewonderen. Wij zagen er twee. Werkelijk fantastisch en het liet ons minder wanhopig voelen. Want wanhopig waren we zeker: pas om twee uur ’s nachts arriveerde we bij de tweede hut.
Na nog twee dagen lopen, die toch behoorlijk snel voorbij gingen met het dromen van het zitten bij de Burger King na dit alles, zaten we dan eindelijk weer op de ferry om voor altijd weg te varen van dit ellendig stuk New-Zealand wat helaas te mooi is om niet te zien. De oudste heeft zijn Tim-tams met smaak gegeten en de ander heeft uiteindelijk na de track zijn hele tas volgekocht met Tim-tams. En ik, ik kwam Sam weer tegen! Hij nam deel aan onze tocht naar de Burger King nog die zelfde avond. De Burger King was helaas volledig afgefikt waardoor het een McDonalds is geworden. De oudste (zijn naam is Efi trouwens) blijft erbij dat Stewart Island ons voor de laatste keer te pakken nam, maar ik kon alleen nog maar genieten van het vele eten en het slapen en eindelijk, eindelijk weer een douche!
Ik zit vandaag de dag alweer in Queenstown, waar ik al heel wat meer avonturen heb beleeft. Morgen vertrek ik weer voor een tocht van vier dagen: ‘The Routeburn-track”. Een ding wat ik met het vele eten en drinken na een onvergetenlijke track echter wel te weten ben gekomen is dat mijn geld kan vliegen. Als een straaljager. Daarom dit eenmalig verzoek: wie mij wil sponsoren, u bent van harte welkom.
Quirijn Petersen
Girorekening: 9091322
Quirijn Petersen

Hoi Quirijn,
Jij hebt je voor de rest van je leven bewezen.
Als bejaarde kun je dan tegen je kleinkinderen zeggen: “in mijn tijd………toen ik in Nieuw Zeeland een bungie-jump maakte…..zeurden we niet over het Lidl-brood, etc. etc.”
Maar het is echt fantastisch! Denk wel aan je rust; je moet nog een paar maanden verder.
Hoe zijn je plannen? Langzaam noordwaarts?
En is de wijn uit Nieuw Zeeland te drinken; thuis probeer ik regelmatig de Australische wijnen (zijn redelijk)
groeten Harm
By: Harm on March 18, 2008
at 6:57 pm
Ha Quirijn,
Wat moet jij uitgeput zijn! Ik word al moe als ik over die tocht lees. Puur overleven waar jij mee bezig bent. En dan ook nog in de regen en modder. Gelukkig klink je niet erg negatief en hou je het nog steeds vol. Al kan ik me voorstellen dat je die israeliers zat wordt, vooral als alle beslissingen in hun eigen taal genomen worden. Wat dat betreft zou het mooi zijn als je volgende keer een gemengdere groep treft en iedereen wel engels moet praten. Maar door dit groepje hyperactieve stuiterballen haal je wel echt alles uit je reis. Maar ga hierna toch maar een paar dagen op het strand liggen…
Groetjes, Marieke
By: Marieke on March 18, 2008
at 8:02 pm
Ey Quirijn,
Klinkt super goed ! Mooie tocht en een beetje afzien kan geen kwaad hoor. Veel plezier nog.
Groet,
Jan
By: Jan van der Hilst on March 18, 2008
at 8:19 pm
Wauw, wat een verhaal!
Ik heb diep respect voor je, Q…
xx
By: Lianne on March 18, 2008
at 9:20 pm
Hoi Q
Heb op you tube een “navis bungy jump” bekeken
GING WELL
H@rm
By: Harm on March 18, 2008
at 9:20 pm
Hoi Quirijn,
Mooi verslag van je indrukwekkende tocht. Jij hebt in ieder geval die door en door getrainde Israeli er uit gelopen! En dan ook nog je bungy jump! Volgens mij moet je het hier maar bij laten, want welke uitdaging kan deze ervaringen nu nog evenaren. Ik ben benieuwd of je Sam nog een keer tegenkomt. Hij wil binnenkort gaan druiven plukken. Succes met je reis.
Groeten van Renée
By: Co en Renée on March 21, 2008
at 9:15 am
Wat een heerlijk lang stuk tekst is dit toch ook! Haha! Voor me zelf ook wel erg leuk om terug te lezen.
By: Quirijn on April 15, 2008
at 2:44 am