Posted by: Quirijn | July 18, 2008

Vooruit, nog eentje dan…

Ja ik ben weer terug in het oude vetrouwde Nederland! Op 15 juli heb ik samen met Sam het vliegtuig genomen vanaf Sydney International Airport en ben ik 24 uur later – op 16 juli – aangekomen op Dusseldorf. Twee uur lokale tijd en mijn ouders stonden al te wachten. Er is echter heel wat aan vooraf gegaan…

Na 6 dagen in de bergen van Adelaide te hebben gezeten, was mijn werk gedaan en keerde ik terug naar Adelaide. De baas van het hostel begroette mij weer vriendelijk en ik betaalde hem op mijn beurt mijn nacht. Gelijk maar even de stad in, want ik moest nog heel wat regelen! Ten eerste moest ik nog altijd aangifte doen van al mijn verloren spullen in Nieuw Zeeland (mijn camera bijvoorbeeld), ten tweede zou ik graag nog een paar daagjes in Melbourne willen spenderen en ten derde moest ik natuurlijk een vlucht boeken om weer terug in Sydney te komen. Dus zo gezegd zo gedaan en de volgende avond ben ik met de bus uit Adelaide gereden richting Melbourne. Met de overgang van Zuid Australie naar Victoria moest mijn horloge weer een half uurtje vooruit (zo enorm groot is dat land!), maar ik kwam uiteindelijk keurig om acht uur ’s ochtends aan in Melbourne. Ik was gewaarschuwd over een eventuele sneeuwbui, maar ik werd begroet met mieser regen. Snel ben ik maar naar een hostel gegaan waar ik helaas nog niet in kon checken, maar wel even mocht douchen en mijn tassen mochten daar ook wel blijven staan. Om twee uur moest ik maar weer terug komen want dan ging de balie open. Ik had dus nog de hele ochtend om de stad te verkennen en het weer werktte voor het eerst wat mee: het was droog en het zonnetje begon te schijnen. Melbourne is weer een hele eigen stad op zich zelf; vooral erg veel mooie gebouwen die niet gek genoeg konden. Oud was zonder inhouden met nieuw verweven en zo ging je blik vloeiend over van een kerk naar een wolkenkrabber. De universiteit die midden in de stad staat begon als een ‘normaal’ gebouw, maar kwam al snel tot leven en produceerde de meest vreemde uitstulpingen, alsof het gebouw elk moment weg kon lopen. Het grote winkelcentrum aan Elizabeth St. was een ander voorbeeld: de nieuwe winkels met hun kleurrijke inrichtingen, circkelde om een reusachtige koepel waarin een oude toren omhoog stond. Hier ben ik de bioscoop maar even ingelopen, omdat ik mijn voeten wat rust wilde gunnen en zo heb ik de film ‘Meet Dave’ met Eddie Murphie gezien. Echt fantastisch was de film niet, maar ik genot van eindelijk even zitten. Sterker nog: ik viel bijna in slaap! Na de film ben ik dus maar snel maar weer terug gelopen naar het hostel waar ik in slaap ben gevallen. 

De tweede dag had dit hostel helaas geen plek voor mij, maar van het gratis ontbijt mocht ik natuurlijk nog wel even gebruik maken. Ik verhuisde die middag naar het YHA hostel aan de andere kant van de stad met de kennis dat ik de volgende dag opnieuw naar een nieuw hostel opzoek moest: alle Christenen die hier voor de Paus naar toe kwamen, maakte het moeilijk met accomondatie… Die dag ben ik de Queens Victoria Markt geweest, een hele grote markt die totaal overdekt was. Hoewel het zonnetje heel lekker scheen had het ook wel wat om door een overdekte markt te lopen. Hier heb ik gelijk heel wat fruit gekocht: de ene appel was nog goedkoper dan de ander! Ook heb ik een nieuw iPod USB kabeltje gekocht en voor de rest heb ik genoten van alle souvenirs en vooral van de hele markt atmosfeer. ’s Avonds heb ik een uitgebreid McDonalds maal genuttigd en de volgende ochtend ben ik zoals gezegd opnieuw verhuist naar een ander hostel. Het hostel waar ik uit kwam was prima en ze serveerde ’s avonds zelfs een gratis maal. Met al mijn charmes heb ik het meisje achter de balie een extra flinke schep Cous-cous op laten scheppen (je kreeg namelijk maar heel weinig, tenzij je $7 zou betalen: dan zou je een bord vol krijgen). Die dag ben ik vroeg gaan slapen want mijn vliegtuig naar Sydney vetrok al om 6 uur ’s ochtends!

Eenmaal aangekomen in Sydney stonden er nog twee dagen op de klok; mijn laatste twee dagen! Sydney voelde weer lekker vertrouwd, het was dan ook alweer de derde keer dat ik in deze stad aan kwam. Ik heb de trein gepakt vanaf het vliegveld en ben in het centrum uitgestapt om daar mijn laatste twee nachten te boeken in het Wake Up hostel (hier zat ik de eerdere keer ook). Mijn laatste echte dag ben ik samen met een Zweedse schone die ik op mijn kamer had ontmoet de stad ingegaan en heb uiteindelijk een hele tijd met haar genoten van de Botanische Tuinen. ’s Avonds zijn we samen met nog twee kamer genoten uiteten gegaan bij een Italiaan wat erg gezellig was en een mooie afsluiter van mijn reis. Na het eten zijn weer terug gegaan naar het hostel en daar voegde zich nog iemand bij ons: een Engelsman die net uit Nieuw Zeeland was komen vliegen. Hij had wilde verhalen over politie-achtervolgingen en de Tiquilla fles die hij bij zich had maakte de sfeer helemaal. Volledig tevreden en een tikkeltje aangeschoten ben ik laat (of heet dat vroeg?) gaan slapen. Mijn laatste uurtjes begonnen nu echt te tikken! Ik ben die dag nog even naar het Opera House gelopen om afscheid te nemen en ben toen nog met een hele stoet Christenen mee gelopen: de Paus was namelijk aangekomen! Het had een gezellige sfeer al die mensen op straat en bijna alle wegen afgezet voor auto’s. Twee uurtjes voor mijn vlucht heb ik Sam op het vliegveld weer ontmoet en samen stapten we het vliegtuig in: dag Australië… Het was een waar genoegen!

Na zestien uur vliegen later kwamen Sam en ik weer aan in Dubai. Hier moesten wij twee uurtjes wachten en vervolgens overstappen voor onze laatste vliegreis. Alles was goed en we hadden zin om eindelijk weer thuis te zitten, maar toen! Oh, wat een drama…

Ik was al langs de paspoort controle en ik verwachtte Sam achter met te zien, maar die jongen stond nog aan de andere kant van het lint. Woest schudde hij zijn tas door elkaar en na een aantal keer op al zijn zakken te hebben geklopt, richtte hij zich omhoog en keek mij aan: hij kon zijn paspoort niet meer vinden. Sam had zijn paspoort in het vorige vliegtuig laten liggen. Sam had geen paspoort meer. Op de enige plek waar je absoluut een paspoort moet hebben was Sam hem kwijt geraakt. De jongen werd door alle instanties van hot naar her gestuurd, maar het zag er somber voor hem uit: er werd hem beloofd dat hij deze vlucht in ieder geval niet ging halen. Daar stond ik dan! Ik zag het al helemaal voor me dat ik in mijn eentje op Dusseldorf aan kwam en Co en Renee moest vertellen dat Sam helaas nog wel eventjes vast zat in Dubai…  Met ongelooflijk veel mazzel hebben ze Sam uiteindelijk dan toch doorgelaten met enkel een ID kaart. Met de ID kaart kwam hij in ieder geval Duitsland wel in. Ik weet niet hoevaak ik hem heb verteld hoe weinig het scheelde dat hij nu niet naast me zat, maar achter af denk ik dat dit alleen maar een perfecte afsluiter is voor deze reis: helemaal in stijl.

En daarbij is dit mijn laatste verhaal. Mijn ouders wachtte mij op in Dusseldorf en het was een leuk wederzien waarbij ik gelijk vol werd gepropt met drop en lekkere bolletjes. Samen met de ouders van Sam (en met Sam zelf ook dus gelukkig) zijn we toen terug gereden naar Bussum. Daar heb ik eindelijk ook weer mijn hond gezien en ’s avonds Roosmarijn ook weer. Mijn bed was nog nooit zo lekker en ik kan nog altijd genieten van een lekkere maaltijd zoals mijn moeder ze maakt. Gratis internet is helemaal geweldig trouwens en douchen was nog nooit zo relaxt (gegarandeert warm water: hoe vind je die!). Maar het is nog wel even wennen hoor. Zo vind ik het toch behoorlijk druk in Nederland: echt overal véél auto’s, en bovendien rijden ze allemaal rechts, wat vooral met het nemen van een bocht toch best eng is… Plus dat alles heel luid is: je kan opeens iedereen verstaan. Bovendien heb ik toch nog een beetje moeite om volledig Nederlands te praten elke keer. Wat het echter vooral is, is dat alles ontzettend snel went, sneller dan ik zou willen zelfs. Net alsof ik nooit ben weg geweest! Langzaam maar zeker kan ik mijn leven in Oceanië met mijn leven nu in Bussum verbinden als een geheel. Nu is het vooral genieten van al mijn mooie foto’s en de herinneringen die daar aan vast zitten. Ik heb erg genoten van al mijn reizen en heb daar enorm van genoten. Ik vond het super dat jullie elke keer een leuke reactie achter lieten! Het maakte de afstand toch wat kleiner voor mijn gevoel. Heel erg bedankt voor het lezen en hopelijk zie ik jullie binnenkort. Vanuit Bussum, Nederland: tot ziens!

- Eric Quirijn Petersen

Posted by: Quirijn | July 9, 2008

De heks van Adelaide Hills

Ik was eindelijk in Adelaide aangekomen, maar al die kilometers die ik had afgelegd hadden zo hun tol geeist: ik had nog maar $300 over. Nog twee weken stonden op de klok en het leek me sterk dat ik het met mijn geld zou redden. Mijn volgende doel was dus het vinden van werk, wat dan ook.

In Cairns had ik een WWOOF boekje in handen gekregen. Willing Workers On Organic Farms. Dit houdt in dat je werkt inruil voor accomondatie en eten, en tegelijkertijd op wordt genomen in de familie waar je die tijd werkt. Het leek me een geweldige ervaring en bovendien een mooie uitkomst voor mijn geld probleem. Dus sloeg ik het boekje open en begon ik te bellen. Behoorlijk wat bellen later had ik dan eindelijk mijn WWOOF plaats gevonden: helpen met hout in Adelaide Hills. Adelaide Hills was mij ’schitterend’ beloofd en bovendien was de beschrijving van mijn WWOOF adres ook niet mis: een Japans georienteerd huis, heerlijk eten, een eigen Dojo en boogschietbaan en bovendien stonden er tripjes naar Thai Chi en Yoga op de planning. Ik wist niet hoe snel ik op de bus 846 vanuit Carrie Street moest springen!

Ik word opgepikt in Aldgate door Julia, mijn host voor de aankomende dagen. Julia is een vrouw van rond de zestig en ze heeft duidelijk teveel tijd in wierrook gezeten; een stem waar je van in slaap valt en kleren die te duidelijk organisch zijn. Maar goed, ze begroet me vriendelijk en laat me op weg naar haar huis de toeristische trekpleister van de buurt zien: een Duits dorpje, Hahndorf. Afgezien van de Duitse naam van het dorpje heeft het verder niets met Duits te maken, maar he, daar gaat het dan ook niet om. Feit is dat ik nu weer in een totaal andere omgeving ben beland: de lucht is hier fris, maar koud en het is hier weer groen, maar… koud. Het herinnert me een beetje aan Nederland op een mooie herfstdag, koud en toch lekker in het zonnetje met een zacht briesje en… Oeh, ik zwijmel weg! Ik krijg van Julia wat kip-sandwiches, we stappen weer in haar auto en we rijden door het bos naar haar huis. Er wordt mij beloofd dat ik waarschijnlijk Koala’s ga zien, want die schijnen hier in overvloed te leven! Uiteindelijk draaien we naar links een opritpad op, een lang kronkelend pad omhoog naar het huis dat boven de bomen uittorent. Na een Colaatje, geeft Julia mij mijn eerste taak: Jolly uitlaten. Inderdaad: ik heb sinds zes maanden eindelijk weer eens een hond uitgelaten! En bovendien kreeg ik mijn eerste Koala sneller te zien dan ik had verwacht…

Langs het pad omhoog ligt een hoopje natte haren. Vliegen dansen om het lichaampje van een Koala. Een dode Koala; zijn nek ligt in een vreemde positie ten opzichte van zijn hoofd en een groot gapend gat staart me aan. Het beestje is een halve meter lang en het valt me op hoe scherp zijn klauwen zijn. Toch heeft het alle vorm van een schattige knuffelbeer verloren… Niet veel later heb ik de Koala begraven op een mooie plek in het bos. De rest van de dag ben ik vooral druk met het verslepen van hout, maar niet voordat ik een extra trui aan heb getrokken! ’s Avonds haal ik mijn diner op bij Julia en begeef me vervolgens naar de Dojo: mijn eigen plekje. Een Dojo is een soort gymzaal(tje) voor Material Arts, en op een iets hoger gelegen deel staat een bed en al mijn andere behoeftes. Wat is het hier koud! Het kleine gaskacheltje heeft lang niet genoeg kracht om deze ruimte te verwarmen en ik word wat geirriteerd door Julia die mij hier laat slapen. Het alleen eten is tot daarentoe, maar dan mij ook nog eens afschepen met zo’n klein koud hok?! Bovendien krijg ik haar vervelende wierrook stem maar moeilijk uit mijn hoofd… Ik val uiteindelijk in slaap, maar word al vroeg wakker door de kou die mijn tenen (en mijn blaas) de baas zijn. Snel trek ik zoveel mogelijk kleren aan en leeg mijn blaas in de bosjes. Zielig alleen eet ik mijn Cornflakes in de Dojo om daarna maar naar het huis te lopen.

De rest van de dagen zijn voornamelijk gevuld met het verslepen, hakken en zagen van hout. Hout in alle soorten en maten en het werk is behoorlijk zwaar. Met het zonnetje in mijn gezicht ben ik lekker bezig, tegelijkertijd boos en opgelucht dat Julia mij niet helpt. Eigenlijk zie ik Julia alleen als het op eten aan komt en eerlijk is eerlijk: ze kan goed koken. In de avond van de tweede dag heeft Julia een verrassing en ik begin iets beter over haar te denken. We gaan namelijk zwemmen (yes, eindelijk weer!) en daarna naar een optreden van de Rolling Stones! Het zwemmen voelt weer heerlijk en de band speelt de Rolling Stones perfect. Tot slot geeft Julia mij bij thuiskomst een electrische deken en zegt ze dat ik morgen zelf maar moet bepalen wanneer ik op wil staan. Wauw! Dus dit gaat toch nog iets worden! Toch?

De volgende ochtend word ik totaal relaxt wakker. De electrische deken werkt duidelijk goed. Ik nuttig een ontbijt met vooral erg veel fruit en besluit daarna maar Julia te vragen of ze nog wat klusjes voor me heeft. En daar komt het: Julia verteld met doodleuk dat ik vandaag meer zou moeten werken voor de dingen die ze gister voor mij heeft betaald. Dat meen je niet! Totaal overdondert krijg ik er geen woord uit. Of wacht! Dit verteld ze mij pas nadat ze me de volgende ochtend ook nog mee heeft genomen naar Thai Chi. Thai Chi vond ik behoorlijk vet: een soort totale concentratie waarin je van alles in je lichaam bewust bent. Julia is mijn held! Tot dat ze dus verteld dat ik vooral die dingen extra moet werken. De heks! In de dagen daarna ben ik dus vooral druk bezig met al het hout dat er nog ligt. Het is een gebied ter grote van vier voetbalvelden, dus ja, daar ligt veel hout. Omgekaapte boompjes die versleept moeten worden, of eerst in stukken moet worden gehakt. Of een ton aan brandhout dat ik via een slipperig paadje omhoog moet tillen. De vierde dag is wat anders: Julia heeft de hele nacht gewerkt en ik moet zelfstandig naar de vrijwilligers lopen die dit unieke stukje natuur van Adelaide Hills verzorgen. Er is maar een man, Griff. Zo rond de zeventig jaar oud, maar nog harstikke actief. Met z’n tweeen lopen we door het bos en hij leert me ondertussen over de planten die hier groeien en waarom de Pijnboom zijn schors los laat (hierdoor kan het vuur zich sneller verspreiden bij een brand waardoor het hele gebied verbrand, maar de wortels van de Pijnboom weer een nieuwe boom kunnen groeien). Griff en ik hebben een leuke tijd, maar na twee uur zit het werk er op. Ik word echter uitgenodigd om nog even met Griff mee te gaan naar zijn huis. Hij verteld vol enthausiasme over zijn triatlon technieken en laat bovendien zien hoe hij zelfstandig zijn huis verbouwd. Uiteindelijk word ik zelfs uitgenodigd om later die middag met hem en zijn dochter met haar zoontje mee te gaan naar een National Park in de buurt. Ik spreek af zo snel mogelijk iets van mij te laten horen en ik loop weer terug naar huis. Daar ben ik een tijd lang bezig met alle bomen die nog aandacht nodig hebben, voor dat Julia eindelijk wakker is. Voor dat zij iets kan zeggen heb ik haar al verteld dat ik die middag met Griff mee ga en… ik ben weg.

Griff en zijn dochter ontvangen mij vriendelijk en we rijden samen naar Cleland National Park. Onderweg maak ik kennis met Eden, het zoontje van de dochter; een jongentje van 2 dat alles aanwijst wat ie ziet. Het park verrast me (alleen al omdat Griff voor mij betaald zonder iets terug te verlangen)! Alle soorten kangaroes zijn namelijk van de partij en ze huppelen allemaal vrolijk om je heen! Heel wat keren ben ik naar wat Kangaroes toe gelopen om ze daarna even over de bol te aaien. Wat zijn ze zacht zeg! Niet veel later zijn we bij de Koala’s aangekomen en deze mag je ook aanraken! Te geweldig. Heel veel foto’s later stappen we weer de auto in. Ik heb Wombats gezien, Numbats, de dodelijkste slang ter wereld, Wallabies, en nog zoveel meer knuffelberen. Helemaal vrolijk word ik bij Julia afgezet. De volgende ochtend regent het en voel ik me verkouden. De heks probeert nog even mij in de regen te laten werken, maar ik weiger. Na de Yoga (waar ik ditmaal zelf heb betaald, maar een ervaring was het wel!) keert ze een beetje bij en mag ik binnen helpen met schoonmaken. Ik ben echt verkouden: de hele tijd snotteren en hoesten! Als lunch krijg ik lekkere pannenkoeken en mag ik zelfs wat langer voor de openhaard naar een documentaire van Nieuw Zeeland kijken. Julia laat me uiteindelijk niet hard werken en na een redelijke tijd zend ze me terug naar de Dojo met een bord patat en salade. Het was mijn laatste dag alweer! Na vijf dagen werken, brengt Julia mij terug naar Adelaide en kom ik er bovendien nog achter dat er een zeker James (haar zoon van 21!) in huis woont. Een ervaring was het zeker en ik ben tot de conclusie gekomen dat Julia niet helemaal in en in evil is, maar dat ze gewoon behoorlijk naief is. Vanavond (9 juli) rij ik met de bus naar Melbourne, waar ik op 13 juli met het vliegtuig naar Sydney vertrek. Mijn laatste dagen zijn nu echt aangebroken!

Posted by: Quirijn | July 2, 2008

Dwars door de outback

Ik zou jullie niet langer meer in spanning houden: hier is dan eindelijk mijn verhaal over mijn tocht door de outback. Een tocht die nu al zijn eigen roem ontstegen is. Een tocht waarvan de verhalen de ronten door gaan; gefluister over de epische tocht en over alle dappere helden die er in voor komen. Een verhaal dat mensen doet schudden op hun grondvest van opwinding. Maak je klaar… Hier gaan we!

We landen in de nacht van 21 juni op het vliegveld van Darwin, de hoofdstad van Australian Northern Territory. Wat is het aangenaam warm! In Cairns waren de temperaturen ook lekker zomers, maar ’s avonds had de stad vaak de neiging behoorlijk af te koelen. Het heeft een hele duit gekost om naar Darwin te komen: het is namelijk het hoogseizoen – het droge seizoen. Er zijn hier maar twee ’seizoenen’: droog en nat. Nat is nat en veel te heet, maar droog daarentegen is… Droog en warm. En duur! De prijs van ons hostel was een torenhoge $29. We waren hier naar toe gekomen met een aantal ideen: werk vinden, de omgeving verkennen of een lift vinden naar Alice Springs – het midden van het land dat we absoluut niet mochten missen. Onze wensen kwamen door omstandigheden niet tot vervulling en na een saaie drie dagen (waarin Jaap en ik tenminste wel verder zijn gekomen dan de supermarkt… Sam?) voelden we ons opgesloten in een stad die overal veel te ver vandaan is. Het geluk naderde ons uiteindelijk toch nog een beetje: ik kwam Yarden weer tegen! Yarden komt uit Israel en ik heb samen met hem in Nieuw Zeeland twee tracks gelopen (Routeburn en Cables). We konden het altijd erg goed met elkaar vinden en het was dus een leuk wederzien. Hij zag het idee van een auto huren wel zitten, maar dat zou – zo bleek later – moeten wachten tot in Alice Springs, want in Darwin wilde ze hun auto’s liever niet kwijt. We hebben dus de trein gepakt! Met The Ghan dwars door het land om na 24 uur bankzitten aan te komen in het rode midden. Onderweg zagen we termietheuvels, kangaroes en een voorbode van er nog meer ging komen: rood zand.

We werden in een hostel geholpen aan een huurauto. De (nederlandse!) vrouw achter de balie had een mooie deal waarin je zowel een auto als campinguitrusting krijgt voor drie dagen. Vervolgens gaf ze ons nog een bak rode kool die ze nog over had, en we waren verkocht. Dat deed ze slim. We waren nu met z’n vijfen: Sam, Jaap, Yarden, Adi (een Israelisch meisje waar Yarden samen mee reisde) en ik. De campinguitrusting bestond uit een gasstelletje, tafel en stoelen, borden en bestek, slaapzakken en swags. Swags zijn grote waterdichte zakken met een matrasje er in. We hadden allemaal onze eigen. Het nadeel van zoveel spullen al in de auto, is dat je zelf minder mee kan nemen, dus moesten wij onze tassen even reorganiseren om zo de helft in de backpacker achter te laten. Na nog even de huisslang van de backpacker (neen, geen tuinslang) vast te hebben gehad, moesten we dan toch echt gaan. Uluru was onze eerste bestemming, misschien beter bekent als Ayers Rock, de rode rots midden in de woestijn. Gelijk een flinke 500 kilometer voor de boeg!

Na een enorme rit (hoewel we daar inmiddels wel aan gewend zijn) kwamen we net iets voor het natuurgebied voor de Uluru tot stilstand. Tijdens de rit hadden we het oneindige niks van de outback bewondert, waar om de zoveel kilometer een dode kangaroe lag. Het was nu echter al bijna donker en in het donker mag je niet rijden (dan zou je levende kangaroes van te dichtbij bewonderen). Bovendien mag je in het natuurpark – Aboriginal land – niet wild kamperen. Dus werden de swags even iets van de weg uitgerold, werd er een fors kampvuur gemaakt en begonnen we met het bereiden van de hamburgers op het gasstelletje. Na nog even lekker om het kampvuur zitten, was het tijd om te slapen: de volgende ochtend wilden we absoluut de zonsopkomst op de Uluru niet missen – om half 6 zou de zon er al zijn! Knus was het wel in de swag en bovendien een fantastische manier om de prachtige sterrenhemel te kunnen zien, maar wat was het koud! In de woestijn is het overdag warm en ’s nachts ijskoud… Het vriespunt werd geloof ik net niet gehaald. Bovendien: overdag was het eigenlijk helemaal niet zo warm, twintig graden ofzo, daar ik 45 graden had verwacht. En daar komt nog bij dat de outback eigenlijk helemaal geen woestijn is. Meer een inmens grote vlakte met struiken, rotsen en wat kleinere bomen. Maar die sterren: wauw!

UluruDe zonsopgang over de Uluru was inderdaad erg mooi, alhoewel de zon niet om half zes, maar meer om half acht op kwam. Iets te vroeg opgestaan dus, maar ik had dit niet willen missen! De enorme massa stenen kleurt met elk zonnenstraaltje roder en roder tot dat hij uiteindelijk zo rood als een biet dreigt te ontploffen.  De nodige foto’s werden geschoten en toen was het tijd om de rotsformatie van iets dichterbij te bekijken (en eigenlijk zouden we hem ook wel willen beklimmen, hoewel de aboriginals dat liever niet hebben…). De weg omhoog was afgezet en dus werd het geen klimpartij. Toch zijn Yarden, Adi en ik nog even een stuk om de rots heen gelopen (Sam en Jaap bleven liever warm in de auto om nog even te slapen). Wat ziet de Uluru van dichtbij er ontzettend anders uit! Veel uitgeholde vlakken rots waar je onder door kon lopen. Het meeste deed het me nog denken aan golven die door de rots onze kant op werden gestuurd. Erg indrukwekkend ook trouwens om naast zoiets groot te staan: van vlakke grond schiet er opeens een rode muur een vijftig meter de lucht in. We zijn hierna nog iets verder gereden om ook de Kata Tjuka te kunnen zien: enorme rotsen die als bolletjes bij elkaar zijn gaan liggen. We zijn via de track de Valley of the Winds dwars tussen de rotsen door gestoken om er zo helemaal door opgenomen te worden. Omhoogkijkend kromp je vanzelf. We genoten met teugen, zonder te weten wat ons allemaal nog te wachten stond…

We zouden die nacht wederom wild gaan kamperen, ditmaal vlak voor het natuurpark van de Kings Canyon waar we de volgende dag naar toe wilden. Hadden we alle verborgen tekenen maar niet genegeerd! Eerst werden we tegen gehouden door een familie drommedarissen, die – naarmate wij meer gas gaven – sukkelig steeds harder voor ons uit gallopeerde. Uiteindelijk gingen ze naar rechts en konden wij weer door rijden. Vervolgens kwamen we langs een gecrashte auto langs de weg: totaal totalloss, hoewel de motor nog wel gewoon wilden starten (de sleutel zat nog in het contact!). Op de stoelen en ramen kleefde bloed. Alles wees er op dat dit vrij recent was gebeurd! Wij stapten weer in onze auto en draaide, na een tijdje rijden, naar rechts een zandpad op om een slaapplek te vinden. We kwamen echter na vijtig meter een bord met ‘verboden toegang’ erop tegen en besloten om te draaien. Binnen no-time zaten we muurvast in het mulle zand. Na talloze pogingen van zowel voor- als achteruit was de auto nog steeds op de zelfde plek: de achterwielen hadden totaal geen grip in het rode zand. Het begon inmiddels donker te worden en niets wees erop dat we hier zelf uit zouden kunnen komen! Help!

Sam en Jaap gingen op weg om hulp te halen en ze kwamen gelukkig na een uurtje weer terug met een 4WD auto! We waren gered! Toch? De knul achter het stuur was echter knullig en hoewel na een dappere poging, waarin alleen onze voorbumper verplaatsten, bromde hij wat over een aantal vrienden en vetrok hij weer. Zijn vrienden die vervolgens met hem terug kwamen, waren echter niet alleen knullig maar ook nog eens enorme eikels. Na wat gevloek over verboden terrein en fikse boetes, wat heen en weer geloop om de auto en na uiteindelijk wat gebrom over een barbeque vertrokken ze weer, ons achter laten in ons lot. Wij in onze situatie geen raad wetend, gingen toen maar zonder diner slapen, hopend dat de volgende dag meer geluk bracht. We dachten allemaal het zelfde voordat we in slaap vielen: we zitten vast, midden in de outback, met een huurauto die eigenlijk niet van het asfalt af mocht; dit is helemaal niet leuk! Gelukkig werden we de volgende dag binnen een enkele poging uit het zand getrokken. De baas van de jongens had er duidelijk meer verstand van. We waren blij om weer los te zijn, maar echt zin om nog naar Kings Canyon te gaan hadden we niet meer. Lekker terug naar Alice Springs, lekker warm douchen en een normaal bed. Dit avontuur was genoeg geweest. We leverden de auto uiteindelijk op tijd weer in bij het huurbedrijf en waren opgelucht dat we niets extra’s hoefden te betalen. Het ene avontuur was geeindigd, maar het andere stond alweer op het punt te beginnen.

Ik reis nu weer alleen. Nouja alleen… Zonder Sam en Jaap. Yarden en Adi hadden namelijk een hele mooie deal op de kop kunnen tikken: een camper/terreinwagen terug brengen naar Adelaide. Er was nog plaats voor een iemand meer en Sam en Jaap wilden eigenlijk liever in Alice Springs blijven. Dus daar scheidde onze wegen: ik wederom met Israeliers mee en de andere twee in de backpackers van Alice. Het waren in ieder geval een fantastische twee maanden jongens! Maar wat had ik de tocht van Alice Springs naar Adelaide toch echt niet willen missen. De auto deed het hem: een V8 terreinwagen, vierwielaandrijving zodat we elk zandheuveltje konden nemen, een uitlaat bovenaan de auto om ook door water heen te kunnen, maar liefst twee tanken met diesel, en bovendien een keukentje en slaapplaats voor drie achterin. Het mooie van dit alles was dat we hiervoor slechts een kleine $90 dollar (pp) voor hebben neer moeten leggen – inclusief eten, benzine en al het andere! Voor benzine kregen we namelijk $160 mee en slapen deden we gewoon in de auto. In vergelijking: met $90 kan je drie nachten slapen in Darwin en dan ook alleen slapen. De tocht was er een van 1500 kilometer en we zouden hem rijden in drie dagen (Yarden moest zijn vlucht in Adelaide halen). Dat betekende dus rijden, rijden en nog meer rijden! Onderweg zagen we nog veel meer dode kangaroes langs de weg dan de vorige keer, maar ditmaal ook wilde paarden en schapen en zelfs nog een keer levende kangaroes! Koken ging prima in het keukentje en voor het eerst at ik weer eens wat anders dan Pasta de la Mama die ik zo vaak had gemaakt met Sam en Jaap. ’s Avonds stoptten we dan bij een klein plaatsje wat niet veel meer was dan een kroeg en een benzinestation. De kroegen had ik verwacht als woeste boevennesten tot de nok gevuld met tuig van de bovenste plank, maar ondanks de eigenaar nog een cowboyhoed droeg, was niets minder waar. Net zoals je verwacht dat je de hele tijd over zandpaadjes rijdt: gewoon een vlakke asfaltweg van A naar B. We hebben overigens nog wel een aantal keer het asfalt verruild voor het woeste zand: de wagen deed het geweldig zoals ie over het zand scheurde! Efin, ’s avonds werd er dan een biertje gedronken, nog even gepooled en vervolgens bouwden we het keukentje om tot bed en legden we daarboven de houten planken goed om zo nog een bed te creeeren. Ik sliep boven. Ik lag met mijn hoofd onder het dakraampje, wat ik elke avond helemaal open heb gedraaid om zo in slaap te vallen onder de sterren (na de eerste nacht heb ik hem ook weer dichtgedraaid zo koud al ik het daarna kreeg!).

Onderweg zijn we nog een aantal keren gestopt. Bijvoorbeeld om de zingende dingo te zien! Hoe verzin je het: een dingo op een piano die dan de hele tijd gaat janken. Wat hebben we gelachen! Ook zijn we nog even gestopt in een van de Opal-delf-dorpjes. Opal is een hele mooie steen soort en omdat ie daar werd gedolven, was het aanschaffen van Opal daar het goedkoopste. Bijna had ik nog een paar hele mooie sieraden gekocht, maar… Sorry mam, als nog een beetje ver boven mijn budget. Hier waren ook de ondergrondse kerk en boekhandel trouwens! Maar na een ondergrondse kerk in Rome te hebben gezien, was dit niet veel meer dan een kerk met een hoop zand er over heen gegooid. Nee waar ik nog het meeste van heb genoten was van het eindeloze niets. Klinkt gek he? Maar de hele route lang is het een eindeloze massa van niets. En dit is erg mooi en rustgevend tegelijkertijd. Uiteindelijk veranderde het landschap en zagen we uiteindelijk zelfs weer water. Adelaide was bereikt en na samen nog een maal genoten te hebben, heb ik ik afscheid genomen van Yarden en Adi. Mijn laatste twee weken in Australie zijn aangebroken. Ik ga proberen te Wwoofen en misschien Couchsurfen om zo een beetje geld te besparen, want: ik leef om mijn laatste $300! Adelaide is in ieder geval een erg leuke stad. Vandaag heb ik lekker in de Botanical Gardens gelopen en ben ik naar het museum geweest (voorstelling over Aboriginals). Het is wel wat kouder, maar 18 graden met zon… Ik heb niet te klagen!

Posted by: Quirijn | June 21, 2008

Een schitterende dag

Ik ben nog steeds een beetje van slag. Gisteren was namelijk zo’n ontzettende leuke dag, met zoveel mooie dingen dat ik eigenlijk gewoon niet weet waar ik moet beginnen. Een dagje naar het Great Barrier Reef staat nu in ieder geval in de top van het lijstje met leuke dingen.

Ja het kost wat om leuke dingen te doen in Australie. En nee, meestal vind ik het mijn geld niet waard. Maar er zijn altijd uitzonderingen. Neem nou het Great Barrier Reef; het rif is de grootste ter wereld en staat in de top van de 7 natuurwonderen! Dit mocht ik gewoon niet missen. Dus werd er een toer geboekt en was het zaak de volgende ochtend op tijd uit bed te komen.

Met nog slaperige oogjes staan we keurig op tijd voor de Ocean Spirit I, de boot voor vandaag. Het is nog wat fris, maar het is praktisch windstil en onbewolkt. Oftewel: perfect voor een dagje op het rif! We worden begroet met een kopje koffie (voor mij een glasje water alsjeblieft) en we nemen binnen plaats. Hier zetten we de nodige handtekeningen; we gaan vandaag namelijk ook duiken, en dat is nu eenmaal niet helemaal zonder risico’s. Dan is het tijd om de boot eens te gaan verkennen! Het is een zeiljacht dat voor ongeveer 150 mensen plaats heeft. Voorop is een zonnedek waar je lekker met je handdoekje op een matje kan gaan liggen. In het midden is de lounge, waar je binnen kunt zitten en waar niet veel later ook een dvd met uitleg over het rif werd getoond. Achter is de place to be voor de duikers: de duikflessen staan al klaar en aan zowel de linker- als rechterkant van de boot zijn twee lager gelegen platforms om makkelijk het water in te kunnen komen. Het is daarbij een katamaran, iets wat het plaatje natuurlijk alleen maar mooier maakt. Boven is nog een overdekte ruimte waar je ook kan zitten en waar je tegelijkertijd de kapitein in actie kan zien. Met een lekker zonnetje steken we van wal: op naar het rif!

Het is twee uurtjes varen naar het eilandje waar wij vandaag ons ei kwijt kunnen. Eenmaal aangekomen hebben we al een veiligheidsbriefing gehad en ook al onze eerste duikinstructies. Je adem in houden bij het duiken blijkt een van de ergste dingen te zijn die je kan doen! Dat gaat nog wat worden… We gooien 50 meter voor het zandeilandje het anker uit en onze ogen vallen open als we de omgeving zien. Azuurblauw water, zo ongelooflijk helder dat het eigenlijk niet zou mogen. Een wit zandstrand dat langszaam overloopt in het water waar het koraal rif bijna meteen begint. En wat zien we al veel vissen! Jaap en ik zitten in de tweede duikgroep, dus we kunnen daarvoor nog mooi even snorkelen. Met een kleiner bootje worden we naar het strand gebracht. Daar zetten we onze snorkels op en lopen het asociaal warmer water in: 24 graden! Iedereen om je heen verdwijnt opeens, het is nu alleen jij en het rif en stilte. Ik zie meteen al zoveel meer dan de keer snorkelen in Byron Bay, werkelijk alles heeft prachtige kleuren. Het koraal dat ik zie is inderdaad zoals je het altijd ziet op Discovery Channel, maar als met zoveel dingen: als je het zelf ziet is het zoveel mooier! Op de boot was ons al uitgelegd wat voor soorten we zouden tegen kunnen komen en zo zie ik Tafelkoraal, Maankoraal, Spaghettikoraal, Hersenkoraal en… Ik word enthausiast maar ben tegelijkertijd rustig en ontspannen. Al die vissen! Vooral de Parrot vissen zijn mijn favorieten: net als of je papagaaitjes langs ziet zwemmen inclusief de snaveltjes! Het mooie is ook nog dat ze totaal niet bang blijken te zijn. Ik duik en zwem met een school Parrot vissen mee. Zo cirkel ik om het koraal heen en kom ik steeds meer vissen tegen, de een nog mooier dan de andere. Uiteindelijk zie ik zelfs een zeekomkommer en wat Nemo vissen! Voordat ik het weet is het echter alweer tijd om terug te gaan naar de boot: duiken staat op de planning.

Eenmaal weer op de boot blijkt dat de lunch al klaar staat. Backpacker als ik ben is dit wel behoorlijk genieten: garnalen, kippenpootjes, pastasalade, visfillet, nog meer salades, stokbrood en alle soorten tropisch fruit! Wauw… Ik word er even stil van maar laad mijn bord dan helemaal vol met al dit lekkers. Daar zit je dan, op het bovendek in het zonnetje met een heerlijk bord garnalen, en dan weet je helemaal niet hoe je ze op moet eten! Het Japanse meisje lacht me vrolijk uit, maar ze legt me uiteindelijk wel uit hoe ze wel gepeld moeten worden. Ze smaken geeneens verkeerd! De rest van al het eten bewaren we nog even, want we gaan eerst duiken. Vier personen per instructrice en Jaap en ik zitten (totaal niet gepland natuurlijk) met twee hele mooie meisjes en nog Nederlands ook. Ik krijg een gordel om met gewichten en ik moet klaar gaan zitten op de rand waar ik ook mijn zuurstoffles krijg. Voordat ik het weet lig ik in het water en adem ik voor het eerst door mondstuk. Wat een vreemd gevoel om onderwater gewoon te kunnen ademen! Elk moment heb je het gevoel dat je nu echt weer omhoog moet, maar toch kan je daar gewoon blijven zweven. Jaap heeft er iets meer moeite mee, maar uiteindelijk lukt het ook hem om naar beneden te komen. We houden vast aan een stang aan de boot, zo’n drie meter diep. Links van mij zie ik een enorme vis! Een Napoleon Maori Wrasse vis van ongeveer twee meter. Vreemd genoeg voel ik me geeneens bedreigd. Met een vissenkop blijft ie een tijdje tegen me aan bluppen en zwemt uiteindelijk weer weg. Met z’n vijfen (arm aan arm) zwemmen we zo een tijdje door de wat diepere wateren. Wat wil ik graag even los en helemaal zelf zweven! Maar nee, het is maar een introductie dive en dat riscio mogen ze niet nemen. Toch vind het fantastisch om zo onderwater te zweven; net als of je vliegt. Na 20 minuutjes komen we weer boven water en eten Jaap en ik de rest van onze lunch op. Er staan nog een paar mooie dingen op het programma…

Na de lunch (oh oh, wat is de annanas toch lekker!) stappen we in de semi-sub. De semi-sub is een bootje waarvan het grootste gedeelte onderwater ligt en een glazenbodem heeft. Op deze manier kun je zonder nat te worden toch behoorlijk wat van het rif te zien krijgen. Wij zien enorme koralen en de bijbehorende Giant Clams. Ditmaal zien we ook grote vissen dan bij het koraal waar wij hebben gesnorkeld en dan gebeurt het: er zwemt een schildpad langs! Behoorlijk groot zijn ze. Na een tijdje zwemt er nog eentje langs en nog eentje. Uiteindelijk hebben we ongeveer vijf zeeschildpadden gezien. Ik heb foto’s proberen te maken, maar dit is erg lastig… (hij staat er trouwens wel op!). De sub keert weer terug en we springen meteen naar het andere bootje om nog even te kunnen snorkelen. Het is nu eb en het koraal komt nu gevaarlijk dichterbij het wateroppervlak. Ik zwem nu een stuk verder en voel me als een vis in het water. Ik duik en duik en duik zelfs nog een stukje dieper om al het mooie te kunnen zien. Als ik omhoog kijk zie ik Jaap vier meter boven me zwemmen! Rustig stijg ik weer en ik zwem weer verder. Ik kan er geen genoeg van krijgen. Een tijd lang blijf ik twee meter onder water voor een anemoon zweven: er zwemt de hele tijd een familie Nemo’s in en uit. Uiteindelijk keer ik weer terug en is het alweer tijd om terug te varen. Het waait nu echter wat meer en de kapitein besluit de zeilen te gaan gebruiken! Al zeilend varen we terug. Beneden in de lounge wordt live muziek gespeeld en ik geniet op het bovendek van een glaasje champagne. Allemaal in de prijs inbegrepen.

Wat een heerlijke dag! Jaap en ik konden niet wachten om er over te vertellen en vooral om de foto’s te laten zien. Het mooiste van de dag was waarschijnlijk nog wel: wij hadden een tour geboekt voor $115 om naar het Oyster Reef en het Upolu Reef te varen en daar te gaan snorkelen, maar wij zijn daar helemaal nooit geweest! In plaats daarvan zaten wij op een boot die koers zetten naar Michealmas Cay, een toer die ons eigenlijk een enorme $290 had moeten kosten! Of de vrouw achter de balie ons nou heeft gematst of dat ze gewoon een fout heeft gemaakt… We komen er denk ik nooit achter.

Posted by: Quirijn | June 18, 2008

Watervallen en kokosnoten

We zijn eindelijk in Cairns aangekomen! De laatste stukjes een beetje met de bus gesmokkeld, maar het grootste deel toch gelift. Wat een rit, wat een avontuur en wat een lange tijd! Je zou haast zeggen dat het nu wel welletjes zou zijn met dat reizen, maar niets is minder waar: we hebben een auto gehuurd en hebben daarmee de omgeving rond Cairns verkend en bewondert.

We hebben behoorlijk wat pech gehad met het weer de laatste tijd. Ook in Cairns was het niet helemaal droog, maar Cairns is tropisch, dus de regen die hier valt voelt als een warme douche. Na een paar dagen uitrusten, ontmoette we in ons hostel Elia de Italiaan. Wij waren erg gefocust op het vinden van een Italiaan na onze voetbal overwinning, en hij kwam op exact het juiste moment. Wat begon als een verhitte voetbaldiscussie draaide echter uit op een gesprek over de omgeving verkennen. Elia zou graag net als wij wat meer willen zien van de omgeving, maar zonder gelijk een vermogen kwijt te zijn. Hij zag het echter somber in, want een auto huren zou immers niet kunnen omdat hij nog geen 21 was? Wel had hij een international rijbewijs. We hadden geluk! We vonden een bedrijf dat een bestuurder van twintig geen probleem vond. Dus daar gingen we dan, met z’n vieren in een auto volgeladen met tenten (kamperen is nu eenmaal goedkoper), eten en al onze tassen. Extra: een voetbal die we even hadden ‘geleend’ bij onze Backpacker en 2 boxjes voor de nodige muziek (was maar 5 bucks). Onze eerste doel: het zuiden van Cairns waar de Tablelands de omgeving domineert met al zijn watervallen!

Rijden aan de linkerkant van de weg… Voor de meeste van jullie zal dat nog altijd vreemd voorkomen, maar ik ben er ondertussen behoorlijk aan gewend! Sterker nog: ik kan auto’s geeneens meer aan de rechterkant voorstellen. Elia dacht daar echter anders over. ‘Je rijdt aan de rechter kant! Ga naar links! Andere links! Links!! LINKS!!’ … Ruitenwissers aan in plaats van richtingaanwijzers en behoorlijk wat keren door rood later ging het dan eindelijk behoorlijk. Die Italianen ook altijd. Na behoorlijk wat klassieke muziek later (de boxjes waren shit, dus dat werd de radio) kwamen we aan in Kuranda. Kuranda, wie kent het plaatsje niet? Je kan hier naar vlinders kijken, spinnen bewonderen of digeridoo’s beschilderen! Dat kost natuurlijk allemaal harstikke veel, wat ons er niet van weerhield om het allemaal links te laten liggen. Pff, vlinders! Wat dan wel weer vet was, was de man voor het Venom House met een Araconda (wurgslang) om zijn nek. Ik had nog nooit een slang aangeraakt en was toch lichtelijk verbaasd: helemaal koud en het voelde net niet echt. Plus dat ik het allemaal niet zo vertrouwde: de slang keek soms wel erg hongerig mijn kant op… Wat hier echter wel gratis was waren de mieren! Ja de mieren inderdaad, want het was lunchtijd en we hadden honger en volgens Elia kon je de groene mieren eten. Nouja, de hele mier zou overdreven zijn natuurlijk; je kan het kontje van de groene mieren opsmikkelen. Heus waar, dus dat moest uitgeprobeerd worden! Als echte wannabe-aboriginals hebben we op deze manier de mierenkolonie heel wat kontjes armer gemaakt en onze buikjes gevuld. Hierna snel maar op pad naar wat watervallen!

En wat voor een watervallen. Het hele gevoel van plaatjes kijken als kind van verre bestemmingen kwam weer terug, maar nu dus in het echt! Als kers op de taart hebben we uiteindelijk ook nog een hele schildpadden familie mogen bewonderen. Aahhh, schattig! Na een hele dag rondgereden te zijn, van waterval naar waterval, was het wel weer welletjes (zelfs watervallen gaan uiteindelijk vervelen) en zijn we weer teruggereden naar Cairns. Uitgeput waren we en ik ben maar vroeg onder de wol gekropen. Om kwart voor vijf ’s ochtends natuurlijk nog even Holland toegejuicht tegen Frankrijk en daarna snel nog even slapen. Voor de boeg lag een drie daagse trip in het tropische gebied boven Cairns.

In de vroege morgen van 15 juni (nog precies een maand op de teller) zo rond half 12 vetrokken we opnieuw, ditmaal richting het noorden! We zijn in een keer naar Port Douglas gereden om daar onder de palmbomen te lunchen. Met het zonnetje in het gezicht nog even lekker gevoetbald (Italie werd wederom met 3-0 overklast). Het beste van de dag moest nog komen: Mossman Gorge, iets buiten Port Douglas. Oh oh, wat lachten wij in onze knuisjes om al die dure tourbussen langs te zien rijden. Wij gingen gewoon lekker met ons eigen wagentje recht de jungle in! Na een behoorlijk bochtig en hobbelig pad stopten we op een klein pakeertereintje in de schaduw van alle lianen die boven ons hingen. Gevolgd door alle kalkoenen die hier lopen liepen het laatste stuk over loopbruggen richting de rivier. De rivier is hier werkelijk prachtig en het tropische zonnetje maakte het aangenaam om in het koude water te springen. Daar zijn we de rest van de dag blijven zwemmen en spelen in de stroomversnellingen en lieten we af en toe kalkoenen schrikken. ’s Avonds hebben we onze tentjes opgezet op een camping in Port Douglas en hebben we voor de duizenste keer pasta gegeten (ditmaal echter wel Pasta de la Mama!).

De volgende dag gingen het allemaal wat slomer en zijn we veel te laat vertrokken van de camping. Ons ontbijt was dus tegelijkertijd onze lunch, maar toen moesten we toch echt vertrekken! Cape Tribulation moest vandaag gehaald worden, het verste punt van de East Coast waar wij Backpackers met een auto kunnen komen. Nog steeds met keiharde klassieke muziek op de achtergrond gingen we op weg, om al snel weer te stoppen bij de Daintree River. We probeerden het eerst niet te zien, maar uiteindelijk kwamen we langs zoveel borden die Crocodile Cruises aanprijsten dat we er niet meer omheen konden: er moest geld uitgegeven worden… Dan wel weer: we zouden krokodillen te zien krijgen! Voor $22 zouden al onze dromen uitkomen. Maar met een beetje zuur kijken, mompelen in het Nederlands en pogingen om weg te lopen, leverden ons uiteindelijk een prijs van een redelijke $17 op. Hup in het bootje dus maar, om een uurtje lekker op de Daintree River te cruisen. Het was een mooie rivier, maar we hebben slechts een krokodil gezien. Wel veel slangen en vogeltjes, maar geen ScarFace of The Godfather die we zo graag hadden willen aaien. Gelukkig werd ons humeur weer wat opgekrikt met het laatste stuk rijden naar Cape Tribulation! Wat een rit was dat. Eerst met een veerpontje de Daintree River oversteken (ik dacht het topje van de staart van ScarFace nog te zien) en daarna met een kronkelweggetje dwars door de echte jungle. En dan bedoel ik ook de echte jungle! Af en toe langzamer rijden om over een kreekje heen te komen en de rest van de weg omhoog en weer omlaag en van links naar rechts. Palmbomen, lianen, watervalletjes, kokosnoten en borden met alle soorten tropische wezens erop. Schitterend en echt prachtig, eindelijk het Australie zoals ik het had verwacht! Het plaatsje Cape Triulation zelf bestaat eigenlijk niet, maar de weg heeft maar een paar plekken met wat gebouwtjes en dit hebben ze de naam dus maar hebben gegeven. Dit leverden dan wel weer op dat wij op een camping stonden midden in de jungle op een minuutje lopen van het strand! En het beste van de stranden hier: kokosnoten overal! Na uren hakken kregen we dan eindelijk onze eerste kokosnoot open (eerst moet je de schil er vanaf halen om uberhaupt bij de noot te komen). We deden ons te goed aan de melk en kraakten daarna de noot om de kokos er uit te kunnen schrapen. Kokos is nog nooit zo lekker geweest; onder een palmboom, naast je tentje en met een tropisch zonnetje. Wauw! Na nog een kokosnoot zaten we behoorlijk vol en dat was maar goed ook want in een plaatsje dat eigenlijk niet bestaat zijn de supermarkten absurpt duur…

In de ochtend van de laatste dag (ditmaal wel vroeg: 8 uur), zijn Elia en ik op pad gegaan voor een wandeling over het strand naar de punt waar Cape Tribulation beroemd om is: het punt dat de zee in steekt. Als je het plaatsje googlet kom je waarschijnlijk bij plaatjes waar wij hebben gelopen. We hebben zelfs nog even naar krokodillen gezocht (voorzichtig het water in getuurd, dapper dat we waren) en zijn uiteindelijk via de avontuurlijk weg waar we de dag daarvoor op hadden gereden weer terug gelopen. Sam en Jaap waren toen ook eindelijk wakker. De jongens wilden eigenlijk ook wel een wandeling maken en zo hebben we nog een deel van weg na Cape Tribulation gelopen. Deze weg is alleen toegankelijk voor 4WD auto’s en het werd ons duidelijk waarom: gaten in gaten in de weg. Het was leuk om dit stukje ook nog even te zien, maar de jongens werden snel moe en toen zijn we maar weer terug gelopen. We zijn in een keer terug gereden naar Cairns: onze tocht zat er voor nu weer op.

Vandaag de dag zitten we nog (en weer) in Cairns. Het is een leuk hostel met gratis fietsen en gratis internet dus we vermaken ons prima. We hebben net een vlucht naar Darwin geboekt (zaterdag de 21ste van juni) voor harstikke veel geld, maar Darwin mogen we nu eenmaal niet missen. Wat ik ook zeker niet wil missen is het Great Barrier Reef. Dus voordat we hier vandaan vliegen gaan Jaap en ik eerst nog even een dagje snorkelen en duiken; het beloofd heel erg mooi weer te worden dus dat wordt vet! Eenmaal in Darwin staan er nog drie weken op de klok. Vanaf Darwin waarschijnlijk naar Alice Springs om daar de Ululuru (Ayers Rocks) te bezoeken. En dan maar weer terug naar Sydney?

Posted by: Quirijn | June 14, 2008

Holland!

Posted by: Quirijn | June 5, 2008

Slapen is een gunst

Wat is Australie pokke groot. Sorry, dat moest er even uit. Nog steeds zijn we met z’n drieen aan het liften, nog steeds richting Cairns. En hoewel het voor jullie ondertussen behoorlijk saai moet zijn om elke keer die liftavonturen aan te moeten horen, moet ik zeggen dat het nog steeds – serieus elke lift – een avontuur is. De ene tof en ongelooflijk, de andere ontzettend saai en misschien zelf rottig. Maar een avontuur is het nog steeds.

Doodnormaal schijnt het liften te worden, ook voor ons. Daarom maar even drie verhalen, zorgvuldig geselecteerd door drie echte backpackers. Backpackers waarvan je later zegt: ‘nou, nou, dat zijn bacpackers zeg!’. Want alles kromgepraat: wat zijn backpackers eigenlijk? De meeste backpackers hier in Australie, stappen de bus in met hun koffers om een paar uur later een duur en voorgeselecteerd hostel binnen te lopen om aldaar een boeking te maken voor een safari ofzoiets dergelijks. Nee, volgens mij ligt dat anders. Echte backpackers zijn volgens mij de jongens met zware tassen op hun rug, de jongens die niet bang zijn om een beetje af te zien, degene die het ene goedkope met het andere goedkope vergelijken en die jongens die de moed niet op geven als het allemaal even niet zo loopt als verwacht. Hier volgen, zoals gezegd, drie verhalen over echte backpackers waarvan de hoofdpersonen zich laten raden.

1:
De reis naar Bundaberg

Rainbow Beach is de hemelpoort voor degene die naar Fraser Island willen. Een klein knus dorpje, waar ondanks de grote toch alles te vinden is. Bovendien zijn de mensen hier vriendelijk en hoef je niet tweemaal te denken om je in al het feestgespuis te dompelen. Maar op Fraser Island is niets te beleven als het regent en als zoiets gebeurt krijgt Rainbow Beach opeens een heel ander gezicht… Mensen rennen gestresst langs ons compartement. Normaliter word ik hier niet wakker van, maar het is na 7en en het is tijd om pannenkoeken te eten (in de ochtend inderdaad, want dat is hier gratis). Het tikkende geluid van de regen op het dak overheerst echter. Regen? Nee, het stort alsof de wolk boven ons in een keer open is gegaan. De meeste tours die zijn geboekt (4×4 drives naar Fraser Island) worden afgezegd en geld moet worden terug gegeven. Mensen balen en lopen te chagarijnen op het moment dat wij de pannenkoekjes opsmikkelen. Wij vertrekken vandaag ook uit Rainbow Beach. We hebben lang gewacht, maar de regen is na al die dagen alleen maar harder gaan vallen. Ons doel voor vandaag is Bundagberg: hoofdstad van de Rum. Liften in de regen is echter geen pretje; niemand pikt een doorweeekte kat op aan de kant van de weg. Toch hebben we behoorlijk geluk: we worden met twee liften terug naar de snelweg gebracht, naar de MacDonalds ernaast om precies te zijn. Hier drogen wij wat op en genieten ondertussen van een BigMac. Het gaat vandaag niets meer worden is onze conclusie. De enige manier om heelhuids in Bundaberg aan te komen is om de helft van de route met de trein af te leggen. Nog heel even doorliften naar Maryborough om daar voor het laatste stuk lekker in de trein te zitten. Het geluk begint zich tegen ons te keren. We blijken namelijk op het verkeerde station in Maryborough afgezet te zijn: het station waar geen treinen meer rijden zegmaar. Maar geen nood! Om 8 uur ’s avonds komt een bus die ideaal aansluit met de trein vanuit Marie North. Op dat moment is het 4 uur ’s middags en zoals dat meestal gebeurt met pubers die zich vervelen: ze gaan domme dingen doen. We wachten inmiddels al 2 uur en buiten is het inmiddels donker geworden: het station is totaal verlaten. Om de een of andere manier lokt het vrouwentoilet ons, waarschijnlijk is het het flikkerende licht dat onze aandacht trok. Het toilet is een open vierkante kamer met een grote van een klaslokaal. De muren zijn totaal vol gegrafitiet. Helemaal aan de andere kant van het lokaal – recht tegenover de open deur – zijn drie hokjes met vieze wc’s. Het zal de vermoeidheid geweest zijn dat ons deze situatie als een ideale fotogelegenheid liet zien. We verschuiven de tafel die in de hoek van de kamer stond half voor de open deur. Ik zet mijn camera op de tafel direct tegenover de drie toiletten. Ik druk op de zelfontspanner en ren naar een van de toiletten. De andere twee jongens zitten al op hun toilet. Met z’n drieen zitten we naast elkaar (op elk een eigen toilet) te grijnsen als de foto wordt genomen. We bekijken het resultaat en besluiten het wat te lafjes te vinden: de broeken geeneens op de enkels?! We herhalen de setting en foto word al iets spannender. Het is echter mijn camera en voor de laatste foto zou ik graag in het midden zitten. Zo gezegd zo gedaan en ik ren dit keer dus naar het middelste toilet. We hebben onze broek en onderbroek op onze enkels en onze pose van geconcentreerde wc-gangers staat al onze gezichten. Nog 5 seconden staan er op de zelfontspanner als het gebeurt: de boze man van het station dat ons daarvoor maar al te duidelijk had gemaakt dat dit station niet meer gebruikt wordt, loopt langs. Hij blijft staan en kijkt ongelooflijk naar de setting voor zijn ogen. Wij ondertussen weten van de situatie niets te maken en proberen half nog te poseren tijdens onze opkomende slappe lach. Vijf seconden hebben nog nooit zo lang geduurd. De man is alweer doorgelopen als de flits ons op de gevoelige plaat legt. Jaap met zijn duim omhoog, Sam slap van het lachen en ik half poserend en half lachend tegelijkertijd. Nog nooit hebben we zo hard gelachen en ons zelf voor het hoofd geslagen!

2:
Slapen is een gunst

De trein naar Bundaberg vanuit Maryborough kost ons dikke 26 dollar voor de luttele 45 minuutjes dat we er mee mogen rijden. Eenmaal in Bundaberg regent het nog steeds, maar goed nat zijn we toch al en donkerder kan het heus niet worden. Die 26 dollar zit ons echter wel een beetje in de maag en we spreken af zo goedkoop mogelijk proberen te slapen. Goedkoop heeft echter zijn keerzijde zo ervaren wij later… Onze reisgids brengt ons op de hoogte van een behoorlijk aantal Backpackers in dit stadje. Vol goede moed beginnen wij dus onze tocht naar de goedkoopste. De eerste is echter potdicht, geen straaltje zonnenschijn dat onder die deur door zou kunnen komen. De tweede is officieel dan ook wel gesloten, maar de lichten branden nog en we worden binnengelaten. Blij om eindelijk weer in een warme en droge omgeving te zijn, worden we dubbel teleurgesteld als we vriendelijk maar cordaat worden verzocht weer te vetrekken: deze backpacker is vol. De derde is een pub waarvan de eigenaar behoorlijk dronken is. Ook deze is vol, maar als we echt niets meer kunnen vinden, heeft hij nog wel een plekje op de vloer. We werpen een blik op de vloer en lopen snel weer verder. De vierde is weer een stukje terug, en staat bekent als de ‘Jail’, want ja: dit was vroeger een gevangenis. Hij is open! Bovendien heeft dit Backpacker zelfs nog plaatsen over: het kan gewoon niet meer stuk. De prijzen om te overnachten vinden we echter te hoog. De prijzen waren niet te hoog, maar na een treinticket van 26 dollar hadden we ons om de een of andere reden een kamer voor de helft van de normale prijs voorgesteld te vinden. Verder lopen dus maar. Onze benen zijn moe, onze tassen zijn zwaar en rot regen valt nog steeds. We zijn niet gelukkig met hoe alles loopt en daarom ook niet te genieten. Alles word echter nog een stuk stommer als we in onze gids onze laatste mogelijkheid zien staan: net iets buiten het centrum. Lopen in de regen en nog meer lopen in de regen met een rot humeur voor dat we eindelijk the place to be bereiken. Uitgeput laten we ons vallen op de banken die buiten onder een afdak staan. Op het zelfde moment wordt een groep stomdronken mensen afgezet met de taxi die spontaan een rits woorden naar ons toe slingeren, waaruit we opmaken dat er in ieder geen plaats meer is om te pitten. Balen dus, maar goed, die banken waarop we zitten, zitten prima en een nachtje op een bank is ook geen probleem. We zitten daar een half uur en worden uiteindelijk toch bang van de verhalen over de eigenaar. Een woeste kerel waardoor je ’s ochtends niet wakker gemaakt wil worden, helemaal niet als je ongewenst bent. Oftewel: we zijn genoodzaakt om dat hele pokke eind weer terug te lopen naar het centrum. Alles was stom op onze weg en iedereen irritant. Stom Australie! Stomme vuilnisbak! Stomme stoeptegel die daar veel te netjes ligt! We besloten terug te gaan naar de enige plaats die ons (goedkoop) een slaapplek had aangeboden. Nee: niet de ‘Jail’, maar de dronken kroegeigenaar. Eindelijk eenmaal daar, kon de eigenaar ons niet meer herinneren en terwijl hij moeite had om te blijven staan verzekerde hij dat hij echt geen plaats meer had. Het geheugen van de man hielp ons echter, toen hij zich een keer omdraaide en ons opeens een slaapplek kon geven. Voor $10 konden wij lekker op de bank gaan liggen in de woonkamer. Betalen zou de volgende ochtend wel komen. De woonkamer zat, ook nog gewoon om 2 uur ’s nachts, nog helemaal vol, voornamelijk met lawaaiege Japanners. We kregen het uiteindelijk zover om drie banken voor ons zelf vrij te maken. Jaap sliep meteen, maar Sam en ik… Wel: Sam en ik zijn de hele nacht wakker gebleven omdat de Japanners nou eenmaal de televisie perse aan en bovendien op z’n hardst wilde houden. Om acht ’s ochtends hebben wij onze spullen gepakt en zijn we zonder te betalen (de eigenaar zou ons toch niet herinneren), weer verder gegaan. Het was deze dag dat wij naar Gladstone zouden gaan, ongeveer 140 kilometer verder op, maar waar ik die avond de andere twee niet heb gezien. Na de ontzettende rotdag in Bundaberg hebben Sam en Jaap een hele dag met hun duim omhoog gestaan om uiteindelijk kletsnat maar 40 kilometer verderop te komen. Ik ben ze uiteindelijk weer in Rockhampton tegen gekomen. Bundaberg hoef ik nooit meer te zien.

3:
Kom maar eens weg uit Marlborough

Marlborough (niet te vergissen met Maryborough eerder in het verhaal) is een klein, een echt heeel erg klein dorpje boven Rockhampton. Het staat op de kaart, maar daar is ook alles mee gezegd. We waren die dag laat vetrokken uit Rockhampton en vonden 100 kilometer meer dan genoeg. Bovendien kon je voor slechts $2 kamperen achter een pub. Kamperen hadden we hiervoor nog niet gedaan, maar Sam draagt al de hele tijd een tent met zich mee en dit leek ons een mooie gelegenheid. Dat de tent bedoeld is voor anderhalf persoon… Na (niet) slapen op een bank moest dat ook wel kunnen vonden wij. Door veel geld te hebben bespaart voor de nacht hadden we wat meer te spenderen voor het eten. In de pub hebben we alle drie dus een overheerlijk maal gegeten en voor het eerst weer wat bier gedronken. Bovendien hebben Jaap en ik onze pool vaardigheid behoorlijk opgekrikt door een aantal sinderende potjes te spelen. Laat maar voldaan zijn onze tent in gekropen die, inderdaad, maar voor anderhalf persoon geschikt is. Enkel Sam had een matje, dus erg lekker heb ik daar niet geslapen, maar voor $2 vind ik dat voor een nachtje allang best. Het was in Rockhampton trouwens al opgehouden met regenen, dus de volgende ochtend stonden we met een lekker zonnetje op. De dag kon niet meer stuk! Mackay was ons doel voor vandaag: 230 k’s verderop. Een behoorlijke afstand, maar tussen Marlborough en Mackay zijn amper andere plaatjes, dus als een auto je oppikt word je waarschijnlijk in een keer naar Mackay gereden. Een half uurtje lopen uit het plaatsje en lekker vroeg (elf uur) begonnen met liften. Alle drie hadden onze waterflessen gevuld omdat het behoorlijk warm zou gaan worden. Erg veel auto’s kwamen er niet langs, maar voldoende om een reele kans te hebben. Drie uur later stonden we nog steeds op de zelfde plek met onze duim omhoog. De zon brandde fel in onze nek en onze water voorraad was inmiddels totaal verdwenen. Bovendien begon mijn maag vreemde geluiden te maken, daar hij slechts 2 boterhammetjes met pindakaas had gekregen in de ochtend. Nog twee uur later en we stonden nog steeds op precies hetzelfde punt waar we die ochtend waren begonnen. Ons kelen branden en onze ogen begonnen Fatamorgana’s te toveren. We dachten nooit meer weg te komen uit dit ellendige stukje Australie toen er plots een vrachtwagen stoptte bij Sam. Vrachtwagens stoppen nooit. De meeste vrachtwagenchaffeurs mogen namelijk sinds een jaartje of twee niet meer stoppen om iemand op te pikken van hun bedrijf om verzekeringsredenen. Maar daar was het: Sam werd opgepikt. En Sam reed ons voorbij omdat er geen plaats meer was. En Sam realiseerde zich, net zoals wij op dat moment, dat hij waarschijnlijk de volgende dag zijn verjaardag in zijn eentje moest gaan vieren. Wanhopig om weg te komen hebben Jaap en ik nog een uurtje met onze duim omhoog gestaan. Uiteindelijk hebben we de hoop om ooit nog opgepikt te worden opgegeven en zijn we terug gaan lopen naar het dorpje. Een heerlijk koude Cola gedronken en uiteindelijk als een zielig hoopje in een hoekje gaan zitten. Sam had de tent en de pub was voor aankomende nacht vol. Met traantjes in onze ogen hebben we een truckdriver gesmeekt ons mee te nemen. Hij weigerde met pijn in zijn hart, maar vertelde ons over de bus die dezelfde avond nog naar Mackay zou vertrekken. Meteen hebben we een plaatsje geboekt: maar liefst $53 per persoon. Vier uur lang hebben ons in de pub een beetje proberen te vermaken. Wederom krijgen we een hardere stoot bij het poolen. Om half 1 kwamen we dan eindelijk aan bij het Backpacker waar we met Sam hadden afgesproken. Sam was er inderdaad en bovendien was hij nog wakker om in z’n eentje het begin van zijn verjaardag te vieren. Totaal uitgeput hebben we de beste jongen gefeliciteerd en zijn we uiteindelijk Mackay in gelopen: er was geen plaatst meer voor ons om te slapen. Elk Motel, Hotel en Pub in Mackay zijn we afgeweest en allemaal waren ze vol. Jaap en ik, toen toch al zo’n 18 uur wakker besloten dat de dag moeilijk erger kon worden door nog maar even wat langer te wachten. De hele dag hadden we gewacht. Gewacht en gewacht, maar waarop? Op een bankje tegenover de enige andere backpacker in de stad gingen we zitten. Elkaar wakker houdend omdat we anders of beroofd of opgepakt zouden worden. Om 8 uur ’s ochtends ging dan eindelijk Gecko’s Rest open. De boodschap werd ons echter al snel duidelijk: ook hier was geen plaats. Op dat moment waren wij 24 op de benen en de dag vertoonde nog steeds geen tekenen van een einde. De vrouw bij Gecko’s was echter aardig genoeg om toch nog even voor een plek voor de nacht te zoeken en ze kwam warempel met een naam. Een pub in het centrum van Mackay en er was inderdaad plek, maar de beden moesten nog verschoond worden. We zijn snel naar de Supermarkt gerend, hebben daar taart en wijn gekocht, zijn weer teruggerend en zijn uiteindelijk na 26 uur op een bed in slaap gevallen. De volgende dag (zelfde dag dus nog) kwamen we Sam totaal bezorgd om half 5 tegen in de stad. Zijn verjaardag was tot dan toe volledig verknalt en had verwacht dat wij ergens vermoord in de goot lagen. Om 6 uur zijn we dan toch maar zijn verjaardag gaan vieren: lekker een stuk Chocolade Mud taart. Daarna heerlijk gegeten bij de Chinees en vervolgens Trivia gespeeld bij onze pub onder de naam Flyning Dutchmen (we gingen behoorlijk goed, tot het Sport gedeelte – Australische sporten…). We hebben de avond afgesloten met behoorlijk wat bier en zo kwam de dag toch nog goed. Maar wat een dag was het geweest…

 

Posted by: Quirijn | May 24, 2008

Het reisgenootschap van drie

Het is nog een hele klus om met het thuisfront in contact te blijven! Internetten is – mits niet te duur – nog prima te doen, maar bellen daarentegen… Ik ben door het verliezen van mijn mobiele-oplader irritant onbereikbaar en daardoor volledig aangewezen op telefoonkaarten. En daar beginnen de problemen.

Telefoonkaarten heb je hier in alle vormen en maten die je maar kan bedenken. Meestal koop ik ze in de hostels waar ik slaap. Hostels zijn het epicentrum van backpackers en hierdoor de hemel op aarde voor de telecom bedrijven. Voordeel voor mij is dan weer dat ik mooi alle prijslijsten naast elkaar kan leggen. Momenteel ben ik de trotse bezitter van The Genuine Aussie Phonecard. $10 krediet. Maar dan ben je er nog niet, neen! Je bent ten eerste aangewezen op een telefooncel (hebben wij die nog in Nederland?) die een 50 centje opslikt om je toegang te geven tot de regio. Het lokale nummer van Brisbane is 30361917. Even wachten, en je word doorverbonden met de centrale. Er word om je PIN gevraagd. Een nummer van 12 cijfers dat op je kaart staat (eerst even krabben om het nummer te voorschijn te toveren). Wederom krijg je de aardige vrouwenstem aan de lijn die je ditmaal verteld hoeveel krediet je nog over hebt. En dan komt het… Zoek maar eens uit hoe je alle landnummers en regiocodes in elkaar moet schuiven om uiteindelijk tot een accepteerbaar nummer te komen! Oftewel, we beginnen met een 0011 om uberhaupt in Australie te kunnen bellen. We vervolgen met een 0031 om aan te geven dat je naar Nederland wilt bellen. Maar wacht! De twee nullen laat je weg… Daarna het thuisnummer waar je wederom de nullen weg moet laten in het begin. Efin, het nummer dat uiteindelijk op je schermpje staat laat je duizelen.

Feit is dat ik gister weer eens naar huis heb gebeld. Ondanks dat ellendig lange nummer laat het horen van stemmen de grote afstand verdwijnen. Ik vroeg mijn ouders het oren van het lijf over alles wat er sinds de laatste keer is gebeurd en hetzelfde geld voor mij. Erg leuk om te horen dat zo veel mensen waarderen wat ik schrijf! En voor mij weer erg leuk om te horen dat Roosmarijn is aangenomen op het UMC: gefeliciteerd!

Terug naar Australie, waar ik inmiddels alweer een flinke maand zit. In Byron Bay is Jaap van Dam bij ons gevoegd! Het reisgezeldschap bestaat nu dus uit drie klasgenoten. In tegenstelling tot Sam en ik, is Jaap zijn reis nog maar net begonnen en hij heeft het Nederlandse wit nog schattig op zijn gezicht. Jaap werd aangestoken door onze verhalen over het snorkelen en – ditmaal met z’n drieen – hebben we wederom een poging gewaagd het schipwrak te vinden. Lekker uren in de zee liggen dobberen en constant de bodem afspeuren naar vissen. En ja hoor, we hebben het schipwrak gevonden! Als een dreigende schaduw lag hij opeens voor ons. De verhalen over haaien en veels te grote vissen waar we hiervoor om hadden gelachen, lieten ons nu in een krimpen. Je zit namelijk geen schipwrak, maar een schaduw. Het heeft heel wat moed gekost om de schaduw in te duiken, maar wat was het het waard! Vissen overal om je heen, van klein naar groot en in alle soorten prachtige kleuren. We hebben geen haaien gezien. ’s Avonds lekker om het kampvuur gezeten met een glas Goon (goedkope wijn) om de mooie dag af te sluiten. Vakantiegevoel alom.

Onze tijd in Byron Bay was mooi, maar we wilden verder! Meer zien van dit enorme land. Liften met z’n drieen? Wie zou zo gek zijn om ons ooit op te pikken. In je eentje heb je veel meer kans van slagen! En toch wilde we perse naar Nimbin, een hippiedorpje een uurtje rijden van Byron. We besloten er wat competitie in te gooien door apart te gaan liften en te kijken wie het snelst was. Weer even lekker in m’n eentje op pad dus. Ik had het recht van de slapste door mijn gebroken teen en hoefde dus het minst ver te lopen (je gaat natuurlijk niet direct naast elkaar staan). Niet veel later scheurde ik in mijn bolide langs de andere twee die nog aan de kant van de weg stonden. Ik was onderweg! In vier verschillende wagens, waarvan de laatste van een hippie van jewelste was, kwam ik uiteindelijk Nimbin aan. Kleine teleurstelling: Jaap en Sam waren er ook al, ik had dus duidelijk niet gewonnen. Jaap wel. Nimbin is wat je over Nimbin leest: klein en stampvol met hippies en de geur van Marijuana. Net alsof je 40 jaar terug in de tijd bent. Alle hippies van toen die hun leventje niet op hebben willen geven en er nu als verlopen Rocksterren bijlopen. No Worries heeft nog nooit zo erg gegolden. Wij sliepen in de Rainbow Retreat, iets lopen van het dorpje. De wallabies (kleine kangaroes) sprongen vrolijk langs de weg.  Een soort van camping, midden in de natuur, waar ze ook gewoon kamers hebben. En wat voor een kamers! Je kan slapen in een huifkar, een tippie, een huisje dat het meest doet denken aan de toren van Pisa of gewoon kamperen. Met onze portemonaie in onze zak hebben we maar voor het gewone gebouw gekozen. Een aantal kamers naast elkaar tegenover de keuken en de woonkamer. Allemaal prachtig versierd en geverfd. ’s Avonds zaten we samen met een hele groep in de openbare tippie, waar door de andere de joint veelvoudig werd doorgegeven. Urenlang hebben we platgelegen om een oude rot die zijn levensverhalen wel wilde vertellen, maar niet helemaal meer in staat was om dat goed over te brengen. Plotwendingen over plotwendingen, om uiteindelijk het hele verhaal weer om te gooien met andere hoofdrolspelers. Hij had in ieder geval het vermogen sfeer in het totaal te brengen. De tweede en laatste nacht in Nimbin draaide ongeveer op gelijke wijze af, hoewel er ditmaal een uberhippie was die cabaratier bleek te zijn. ‘What do you ask a philosofer with a job?’ … ‘Can I have a BigMac?’

Al die organische geuren om je heen is niet goed voor te lang en dus vertrokken we uiteindelijk weer. Met hetzelfde principe als de eerste keer, probeerden we alle drie apart om als eerste in Surfers Paradise uit te komen. Zoals gewoonlijk reed ik weer als eerste de andere jongens voorbij. Maar na mijn derde lift, moest ik toch een behoorlijk lange tijd wachten. Uiteindelijk stopten er een auto waar Jaap en Sam ook al in bleken te zitten! Weer hereningd zijn we tot vlakbij Surfers gereden. Onder het genot van een stuk pizza hebben we de skyline van Surfers een tijd lang bewondert en hebben we voor het laastse stuk uiteindelijk maar de bus genomen. Toch wel zo makkelijk.

Surfers Paradise is een veelbelovende naam, die al snel tegen blijkt te vallen. Ubertoeristisch en de golven schijnen meer naar het zuiden veel beter te zijn. Dus… Hebben we er zelf maar iets van gemaakt! Met een festijn aan eten in Burger King (onee, dat heet hier Hungry Jacks natuurlijk), lol in een enorme speelhal en een bikinicontest in de kroeg. Ik heb hier bovendien Aussie Rules Rugby leren waarderen door met een grote menigte naar NSW vs QSL te kijken op een plein midden in de stad (op een groot scherm). Maar waar ik vooral naar uitkeek (Sam ook, maar Jaap totaal niet) was de finale van de Championsleague! Manchester United tegen Chelsea. Een klein drempeltje was echter wel dat dit op Europese tijden werd gespeeld. Oftewel: om de wedstrijd live te kunnen zien moesten we om half vijf ’s ochtends in de kroeg zitten. Sam en ik hebben dat natuurlijk gedaan en hebben de zon tijdens het voetballen op zien komen. Manchester United heeft mede dankzij Van Der Sar gewonnen! Half negen ’s ochtends waren we weer thuis, volledig uitgeput… We zijn ’s avonds nog wel naar de film geweest (de nieuwe Indiana Jones kwam die dag uit) mede omdat Jaap wel lekker door had kunnen slapen en veel te veel energie had. Op onze derde dag waren we dus helemaal kapot, maar besloten we wel weer verder te gaan. Brisbane zou met een uurtje rijden te halen moeten zijn. Maar Brisbane is een grote stad en hoewel er veel wegen naar toe leiden zijn dit allemaal minstens driebaanswegen waar niemand stopt. Bovendien kwamen we geregeld het bordje tegen dat stoppen hier verboden was en het feit dat we dit keer met zn drieen tegelijkertijd probeerden te liften hielp ook niet echt. Vlak voor het bordje waarop ons verboden werd door te lopen stopten er dan uiteindelijk toch een auto. We konden ons geluk niet op, hoewel de man ons niet helemaal naar Brisbane kon brengen, maar wel halverwege. Het vonden het allemaal wel prima. Hij zette ons af bij de MacDonalds langs de snelweg. Hier hebben we een tijdlang voor uitgestaard, half beseffend dat we een burger aten. Door de stimulerende werking van de Cola zijn we toch maar weer verder gegaan. Wonder boven wonder pikten iemand ons op na een uurtje (er was maar een reele plek om te liften, dus waren we genoodzaakt bijelkaar te blijven). Na uiteindelijk een lange tijd door Brisbane te hebben geslenterd viel ik totaal uitgeput in slaap in ons hostel voor de nacht. ’s Nachts nog wel even wakker geworden door het kleterende geluid van een Zweed die dronken thuis was gekomen en nu zijn bed aan het be-urineren was. Met een glimlach ben ik uiteindelijk weer in slaap gevallen.

Jaap en Sam schrijven op hetzelfde moment hun stukjes, welke dus waarschijnlijk behoorlijk gelijk gaan zijn, maar vanuit een ander gezichtspunt. Benieuwd? Hier kan je ze vinden: Sam en Jaap. Met mijn teen gaat het trouwens prima, hoewel ik er wel van baal dat ik dus nu niet kan surfen. Ik blijf hier in Brisbane nog een tijdje met de jongens om even toekomstplannen te gaan maken. Ik zal jullie op de hoogte houden!

Posted by: Quirijn | May 12, 2008

Ik heb mijn teen gebroken.

Met elke dag dat ik dit berichtje uitstel ga ik er meer tegen op zien. Ik had het nooit moeten doen, nooit zo lang moeten wachten met het typen van mijn belevenissen. Waar moet ik in vredesnaam beginnen?! Een luxe probleem zullen we maar zeggen, want ik heb inderdaad weer erg veel meegemaakt! Daar gaat ie dan…

Terugkijkend op mijn laatste berichtje merk ik op dat ik al een ruime twee weken niets heb geschreven. Op 27 april liet ik jullie voor het laatst wat van mij horen: ik was net in Bondi Beach aangekomen en was volkomen op het surfen gericht. Ik ben maarliefst acht nachten gebleven in Bondi en heb inderdaad erg veel gesurfd! Zoveel zelfs dat mijn linker ‘onder’ rib nog steeds een vreemde diep blauwe kleur vertoont… Althans: van binnen waarschijnlijk dan, want ik zie niets, maar als ik er op druk doet ie nog steeds pijn. Tja, dat is het lot van degene die elke dag op een board ligt in een zee die je bespeelt als een piano. Heen een weer word je geklotst, onder water gedrukt, over het zand geschuurd… Het is het allemaal waard geweest, want surfen lukte uiteindelijk prima! Eerst onder de golven doorduiken om op de juiste plaats te komen en dan wachten op de juiste surf… Daar komt ie! Peddelen, peddelen en nog meer peddelen om vaart te krijgen, vervolgens het board in bedwang houden: de punt van het board niet te hoog houden want dan rolt de golf onder je door, maar ook weer niet te laag, want dan duik je voor de golf het water in en word je zo heen en weer gerold en geschud dat je uiteindelijk niet meer weet wat boven is. Je beide handen laten rusten op het board en je voeten naar de juiste positie slepen… en hup! Je staat op de golf en surft met een lekker zonnetje in je gezicht richting het strand. Prachtig.

Ik ben Nina en Jeroen (Nina is een goede vriendin van mijn zus) trouwens ook weer tegengekomen! Niet helemaal toevallig, want zij hebben hier de afgelopen zes maanden in Bondi Junction gezeten en ik was ze de eerste keer in Sydney ook al tegengekomen. De moeder en het zusje van Nina waren er dit keer echter ook en zo zijn we met z’n vijfen tweemaal uiteten geweest en zelfs cocktails gedronken in de Summit Bar! Het uiteten was echt heel erg lekker (waarvoor dank), maar de Summit Bar was toch wel het toppunt! Cocktails drinken op de 47ste verdieping, maar alsof dat nog niet genoeg was draait de hele bar rond zodat je echt heel Sydney krijgt te zien! En dat allemaal dus onder het genot van een ‘Confusion’. Ik praat de laatste tijd trouwens sowieso erg veel Nederlands, want in mijn laatste paar dagen in Bondi is Sam bij me gevoegd! Erg leuk om elkaar na zo’n lange tijd weer te zien en te spreken. Wat was dat trouwens schrikken zeg: die jongen heeft een baard van hier tot Tokyo…

Koninginnedag is trouwens alles behalve onopgemerkt voorbij gegaan! In mijn Backpacker in Bondi waren Sam en ik de enige Nederlanders en ondanks al mijn inspanningen kwam het feestje niet echt op gang. Maar goed, dat was in de Backpackers en ik had altijd nog een feestje achter de rug: een studentenhuis tot de nok gevuld met Nederlanders! Dat had ik natuurlijk nooit geweten als Nina mij niet uitgenodigd had. Wat is het toch een heerlijke combi: Nederlanders en Koninginnedag! Kroketten, frikandellen, oranje punch… Maar vooral: al die Nederlanders die al hun remmen losgooien! Linda, Roos en Jessica liepen rond in hun reincarnatie van drie grote Nederlandse gozers, de polonaise werd tot vervelens toe gelopen en iedereen was net iets te aangeschoten om normaal te kunnen dansen. Een echt feest dus! Ik voelde me helemaal thuis en samen met Sam heb ik een hele leuke avond gehad.

Allemaal leuk en aardig, maar kom maar weer eens uit Sydney weg! Het is een hele leuke stad, maar uit een plaats zo groot als de provincie Utrecht kom je niet zomaar… Eerst maar even mijn bankpasje bij Jill (voor de onwetenden: Jill is vriendin van mijn moeder en ik heb de eerste keer in Sydney bij hun gelogeerd), waar Sam en ik een heerlijke maaltijd voorgeschoteld hebben gekregen! ’s Avonds volledig verzadigd weer terug gegaan naar ons hostel in KingsCross. Weg komen uit Sydney stond bovenaan onze lijst (lees: wegkomen zonder dat het je gelijk een fortuin kost). Vlak voordat wij het hostel in Bondi hadden verlaten werd ons echter het principe van ‘ridesharing’ verteld en werd ons de site gumtree.com.au gegeven. Al onze pijlen waren sindsdien hier opgericht. In KingsCross vonden we uiteindelijk (inderdaad op gumtree) iemand die zijn auto beschikbaar stelde voor passagiers naar Brisbane in ruil voor het delen van de benzinekosten. Ik belde hem op en we spraken af om met hem tot Byron Bay te rijden. Wij zouden hem nog een mailtje sturen met onze details. Hij zou 8 mei uit Sydney vertrekken. Op 7 mei hadden we echter nog niets van hem vernomen en na een extra mailtje, kregen we terug – elf uur ’s avonds – dat de plaatsen helaas al bezet waren: hij had namelijk helemaal geen mail van ons ontvangen! Wanhopig besloten Sam en ik terplekke dan toch maar voor de bus te gaan, als we Sydney maar uit kwamen. We stonden op het moment van betallen toen onze receptionist onderbroken werd door een telefoontje: tot mijn grote verrassing schreef hij tijdens het telefoneren ‘Quirijn’ op het blaadje naast hem en dat terwijl niemand mij hier zo kent! Toen ik de mate achter de toonbank hiernaar vroeg vertelde hij mij dat er een jongen opgebeld had die mij een rit naar Byron kon geven; tegelijkertijd sloeg ie zich voor zijn kop, want onze busticket deals gingen helaas niet meer door.

Na vier dagen in KingsCross absoluut niets gedaan te hebben, dat wil zeggen: we hebben veel ge-X-boxt en veel films gekeken, hadden we eindelijk een weg uit Sydney gevonden. Tom de Duitser en Tom de Brit voorin en wij achter in. Het kostte ons maarliefst twee dagen om in Byron te komen: de afstanden zijn ongelooflijk. Maar de rit was leuk! Veel beter dan met de bus (veel goedkoper ook trouwens) en erg gezellig. De roadtrip duurde ongelooflijk lang, maar was ook zo weer voorbij. Feit is dat Sam en ik nu in het hele relaxte Byron Bay zitten.

Byron Bay is een plaatsje om verliefd op te worden: lekker klein dorpje, maar wel met alle voorzieningen en zo ongelooflijk dicht aan het strand dat je het haast niet zou geloven. De eerste echte dag hier heb ik Sam de basis principes van het snorkelen uitegelegd en hebben we vervolgens uren lang in het water gelegen en visjes bekeken. Ik had al behoorlijk wat keren gesnorkeld in het zwembad (Julia had het me trouwens afgelopen zomervakantie geleerd!), maar dit was mijn eerste keer dat ik ook echt vissen onder me zag zwemmen! We zagen roggen, (kleine) haaien, erg grote scholen vis en af en toe een erg mooi gekleurde (ik geloof dat ik de doktersvis uit Nemo heb gezien). Ongelooflijk dat er zoveel vissen zwemmen, zo dicht bij de kust. Er schijnt ook ergens een gezonken boot te liggen waar je zoveel mooie vissen kan zien dat het echt het snorkelen waard is! Die moeten we dus nog maar een keertje vinden.

Het leven hier is dus erg strand georienteerd en ik moet zeggen dat ik daar totaal geen moeite mee heb. Gister na het zwemmen lekker gevoetbald op het strand met mede backpackers. T-shirts tegen blote bovenlichamen. Natuurlijk stond het team van Sam en mij op winnen toen het gebeurde: mijn kleine teen besloot in een vreemde hoek te gaan staan. Hoe het precies gebeurde weet ik niet meer, hoewel Sam het erg grappig vind om te zeggen dat het gebeurde in een duel met een meisje. Ach, het was een erg leuk meisje, dus daar heb ik opzich geen problemen mee. Vreemd was het wel, ook omdat hij helemaal niet zoveel pijn deed. Misschien uit de kom ofzo? Hier op Byron Beach schijnen er echter geen Lifeguards te zijn en uiteindelijk was ik op het ziekenhuis aangewezen om er achter te komen wat die teen nou precies in gedachte had. Gebroken zou toch niet kunnen? Zoveel pijn deed ie namelijk niet. Na uren in de wachtkamer gezeten bleek mijn teen dus wel gebroken. Volgens genot Sam er net iets meer van dan ik toen de dokter er twee naalden instak om hem te verdoven en daarna ongelooflijk geweld op los liet om hem in de juiste plaats te zetten. Mijn kleine teen is nu aan zijn buurman teen vast getaped die dus gebruikt wordt als spalk. Wat trouwens erg mooi was: Nederland schijnt een overeenkomst met Australie te hebben over ziektekosten: mijn teen heeft me dus niets gekost! Zou er nog eens bij komen: kost het breken van een teen nog geld ook… Ik kan er nog steeds niet bij. Ik heb gewoon mijn teen gebroken! Vreemd hoe ontzettend makkelijk dat is gegaan (best eng eigenlijk). De dokter drukte me op mijn hart even wat pijnstillers te kopen bij de apotheek, omdat ie waarschijnlijk pijn zou gaan doen. Pijnstillers kosten echter geld en wij hebben hier wijn, erg veel goedkope wijn. Gisteravond was ik dus van de erg veel goedkope wijn erg behoorlijk aangeschoten. Sam deed lekker mee kan ik me nog herinneren. Pluspunt is natuurlijk wel dat alle meisjes medelijden met me hebben en me erg goed verzorgen. Maar dat moet dan nog komen. Denk ik. Hoop ik.

We blijven in ieder geval nog een paar dagen in Byron Bay, mede ook omdat we hopen hier Jaap te treffen (Jaap, wo bist du?). Mijn teen kan volgens de dokter gewoon zwemmen, dus dat moet ook nog wel allemaal lukken. Gaat allemaal wel goed komen!

Posted by: Quirijn | April 27, 2008

Surfing Bondi

The surf is great today mate! Het leek eeuwen te duren voordat ik eindelijk weer eens het water in kon duiken met een board, maar vandaag was dan eindelijk, eindelijk de premiere. Mijn hostel (backpacker, zoals we het hier noemen) ligt in het midden van Bondi en Bronte Beach en in ruil voor je paspoort kan je een surfboard meekrijgen. Mijn eerste surf zit er nu dus inmiddels alweer op!

Inderdaad: ik zit weer in Australie. Weer terug in het oude vertrouwde Sydney dat ik toch vele male meer appricieer dan het saaie Auckland. Na 3 nachtjes in het ‘Wake Up’ hostel te hebben gezeten midden in het centrum (prijzig: maar een van de betere) waar ik met een vriendengroep iedere avond de hort op ben geweest (niet prijzig: de groep had een alchocol vooraad), ben ik nu dus verhuist naar Bondi Beach. Prachtig uitzicht over de zee en heerlijk opstaan met het zonnetje (het weer is eindelijk weer toppie!).

Vanochtend besloot ik het maar gewoon te wagen en een board te lenen. Ik koos een 6.7 (feet) wat ongeveer 2.2 meter is. Zegt de meeste van jullie waarschijnlijk niets, maar een longboard (een board waar de meeste het op leren en ik ook de vorige keren had op gesurfd) is ongeveer 10 feet. Het komt er op neer dat een 6.7 rete moeilijk is. De eerste keren kon ik niets anders dan mijn board gebruiken als bodyboard, want de zee is hier krachtig en staan op je board kan je wel vergeten. De keren daarop maakte ik meer vooruitgang, maar het was pas de aller laatste golf dat ik even op m’n board bleef staan. Morgen zelfde board en gewoon weer proberen! Een paar erge leuke puntjes hier trouwens: je hebt geen wetsuit nodig, want de zee is hier 22 graden Celcius en omdat het hoofdseizoen over is kom je met de UV straling weg door je gewoon goed in te smeren (ik droeg nog wel een t-shirt, maar meer omdat anders je buik open wordt geschuurd). De golven zijn hier geweldig en je ziet de hele zee vol met surfers en niet alleen de zee: langs de hele boulevaar (?) lopen mensen met surfboards. En het meest belangrijke naast het feit dat ik eindelijk kan surfen: ik krijg mijn gouden haren weer terug (plus dat ik bruin word natuurlijk)! Vreemd hoe het loopt, maar ik krijg nu eindelijk pas het gevoel mijn vakantie begonnen te zijn. Dit is waar ik al die tijd naar uit heb gekeken en warempel: ik ben het nu gewoon aan het doen! Tot de volgende!

Older Posts »

Categories